Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Systemen / Vlaanderen / Eco-efficiëntie Vlaanderen

Eco-efficiëntie in Vlaanderen

Grondstoffen, in de vorm van ruwe grondstoffen en (half)afgewerkte producten, zijn onmisbaar om onze samenleving en onze economie in het bijzonder draaiende te houden. Ontginningen en de daaropvolgende productie- en consumptieprocessen zorgen echter voor heel wat milieudruk, denk onder meer aan afval, broeikasgassen en fijn stof. Verschillende beleidsniveaus stellen zich tot doel de milieudruk of milieu-impact van productie en consumptie los te koppelen van economische activiteiten en meer bepaald de economische groei, m.a.w. de eco-efficiëntie van de samenleving en de economie te verhogen. 

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: december 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Igor Struyf

Een van de doelstellingen van het Pact 2020 blijft onverminderd de verdere ontkoppeling van de economische activiteiten en het geheel van emissies en afvalproductie tegen 2020. Dit moet gerealiseerd worden door een gestaag stijgende materiaal- en energie-efficiëntie in de verschillende maatschappelijke sectoren.

Er is een langdurige trend van relatieve ontkoppeling tussen BBP en energiegebruik in de periode 2000-2016

Tussen 2002 en 2009 realiseerde Vlaanderen een relatieve ontkoppeling tussen de economische groei en het energiegebruik. De energie-intensiteit van de Vlaamse economie – zijnde het bruto binnenlands energiegebruik (BBE) dat nodig is om het bruto binnenlands product (BBP) te genereren – daalde met bijna 14 % tussen 2000 en 2009. In 2008 en 2009 remde de financieel-economische crisis deze trend echter af, en in 2010 is de trend omgebogen: de energie-intensiteit nam toe met bijna 5 % in vergelijking met 2009. De extreem koude wintermaanden speelden een belangrijke rol in de BBE-cijfers van 2010. Dit resulteerde in een stijgend energiegebruik bij de huishoudens, handel en diensten en de glastuinbouw, terwijl ook het energiegebruik in industriële installaties sneller toenam dan het algemeen productieniveau. Na opnieuw een beperkte groei van het BBP in 2011 bleef dit in de periode 2011-2013 nagenoeg onveranderd: de economie stagneerde onder invloed van de gevolgen van de economische crisis. Dit terwijl het BBE in de periode 2010-2012 daalde (met bijna 8,5 %), om in 2013 opnieuw zeer licht te stijgen (met 0,1 %). In de periode 2014-2016 is het BBP opnieuw sterker gegroeid (met 3,25 %), terwijl het BBE in de periode 2010-2014 sterk gedaald is (met meer dan 13 %) om in de periode 2015-2016 opnieuw gevoelig te stijgen (met 8,5 %).

Uit dit alles kan worden afgeleid dat er over de hele periode 2000-2016 sprake is geweest van een relatieve ontkoppeling tussen het energiegebruik en de economische groei: terwijl het BBE zeer licht steeg met 0,126 %, steeg het BBP in de periode 2000-2016 met meer dan 28 %.

Het waterverbruik is in de periode 2000-2016 absoluut ontkoppeld van de economische groei

Over de hele periode 2000-2016 vertoonde het totaal waterverbruik (exclusief koelwater) een lichte daling van bijna 1,5 %, wat een absolute ontkoppeling inhoudt van de economische groei (het BBP groeide in dezelfde periode met meer dan 28 %). Vooral in 2006-2009 was er een sterke daling (met meer dan 10,5 %), vooral in het verbruik van oppervlaktewater, wellicht mee onder invloed van de financieel-economische crisis. Maar in 2009-2011 was er dan weer een stijging in het totaal waterverbruik (excl. koelwater) van meer dan 6,5 % (tussendoor in 2012 een daling met meer dan 3 %) en in de periode 2012-2015 met 7 %. In 2016 liet het waterverbruik echter opnieuw een daling van meer dan 2 % optekenen.

Afval en emissies zijn absoluut losgekoppeld van de economische groei  (met uitzondering van polycyclische aromatische koolwaterstoffen – PAK's)

Met uitzondering van de emissie van PAK's zijn over de periode 2000-2016 de emissies en de hoeveelheid afval in Vlaanderen losgekoppeld van de economische groei (absolute ontkoppeling).

Zo is over de periode 2013-2016 het huishoudelijk afval per inwoner afgenomen met bijna 5% (een daling van meer dan 4 % tegenover 2000). Dit is onder meer ten gevolge van het beleid dat prijssignalen geeft aan de huishoudens via tariefdifferentiatie. Dit betekent dat de plandoelstellingen voor huishoudelijk afval in het MINA-plan 4 (2011-2015) respectievelijk al sinds 2001 (totale hoeveelheid huishoudelijk afval) en 2009 (restafval) werden gehaald.

Voor primair bedrijfsafval is er vanaf 2004 tot 2012 (ondanks een grillig verloop met een aanvankelijke stijging in 2005 en grillig verloop nadien) een daling van de hoeveelheid primair bedrijfsafval (exclusief bouw- en sloopafval, slib en verontreinigde grond) van meer dan 9 %. De hoeveelheid bedrijfsafval vanuit de industrie daalde over de periode 2004-2016 sterker dan dat de bruto toegevoegde waarde van deze sectoren steeg: de hoeveelheid bedrijfsafval is dus in absolute zin losgekoppeld van de economische groei. Dit laatste betekent dat de bijhorende plandoelstelling voor de periode 2011-2015 gehaald is (verdere ontkoppeling tegenover de gerealiseerde toegevoegde waarde).

De algemeen dalende trend in emissies tot 2009 werd nadien in bepaalde jaren, afhankelijk van het type van emissie, onderbroken.

Zo namen de broeikasgasemissies tussen 2009 en 2010 toe in alle sectoren, met de grootste stijging bij industrie en huishoudens. Deze stijging kan toegeschreven worden aan een heropleving van de economie na de financieel-economische crisis en de zeer strenge winter in 2010, waarna er zich in 2011 weer een zeer sterke daling (van bijna 7,5 %) voordeed door een milde winter. Vervolgens bleven de broeikasgasemissies quasi stabiel in de periode 2012-2016 (met uitzondering van 2014 dat opnieuw een daling vertoonde van bijna 4 % tegenover 2013).

De emissies van potentieel verzurende stoffen liepen over 2000-2016 fors terug (met bijna 50 %). De NOx-emissies hadden in 2016 het grootste aandeel met bijna 42 %, samen met de verzurende emissies door NH3 (meer dan 40,5 %). Ondanks een daling in de NOx-emissies van bijna 44 % zijn deze nog te hoog, vooral ten gevolge van het grote aandeel dieselwagens en het stijgende vrachtverkeer. De emissies van NH3 en SO2 kenden sterke dalingen om nadien quasi te stagneren (respectievelijk vanaf 2007 en 2012).

De emissie van fijn stof (PM2,5) laat voor 2000-2016 een daling van meer dan 31 % zien. In de periode 2001-2009 waren er kleine jaarlijkse schommelingen, maar de emissie van fijn stof kende aanzienlijke stijgingen – zeker in 2010 (met meer dan 10 %) en in iets mindere mate voor de periode 2011-2013 (met 7 % tegenover 2011). Vooral de sectoren energie, transport en landbouw kenden de grootste reductie van PM2,5-emissies. Maar in de periode 2011-2013 worden deze dalingen teniet gedaan door een aanzienlijke stijging bij de huishoudens (sterk weersafhankelijk, maar ook door het stijgend aandeel van gebruik van vaste brandstoffen voor de gebouwenverwarming). De zeer zachte winter verklaart dan ook de grote daling in 2014 tegenover 2013 (daling met bijna 16 %). Om in 2015-2016 weer een stijging te vertonen (tegenover 2014) met meer dan 7 %.

De netto-emissie van chemisch zuurstofverbruik (CZV) kende een sterke daling met bijna 55 %, maar de laatste jaren is die verbetering veel minder uitgesproken. De dalende belasting  van het oppervlaktewater door bedrijven is een gevolg van de inspanningen van bedrijven en van de uitbouw van de openbare waterzuivering. Het percentage inwoners waarvan het afvalwater gezuiverd wordt op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) is sterk toegenomen, van 48 procent in 2000 tot 84 procent in 2017. Bovendien zijn de  zuiveringsrendementen van de RWZI’s verbeterd. Ook steeds meer woningen die niet op de riolering aangesloten worden, hebben een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater. De snelheid waarmee de zuiveringsgraad stijgt, begint echter af te nemen. Ook het gemiddelde zuiveringsrendement (voor CZV) van de RWZI’s stijgt niet verder.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid