Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Systemen / Energie / Energiestromen

Energiestromen in Vlaanderen

Deze indicator brengt alle energiestromen in Vlaanderen in beeld en omvat volgende energievormen:

  • kolen (incl. koolteer en cokes),
  • olie (ruwe aardolie en petroleumproducten waaronder raffinaderijgas, LPG, benzine, kerosine, huisbrandolie en diesel, stookolie, nafta, petroleumcokes …),
  • gas (aardgas, hoogoven- en cokesovengas),
  • nucleaire warmte of splijtstoffen,
  • elektriciteit (zowel netto invoer als primair in Vlaanderen geproduceerde elektriciteit door middel van wind-, water- en zonne-energie),
  • warmte,
  • biomassa (incl. biogas),
  • en andere brandstoffen (voornamelijk restbrandstoffen van de chemische industrie en het niet-hernieuwbaar deel van restafval).
Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: oktober 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Johan Brouwers

Binnenlandse primaire energieproductie stijgt maar blijft beperkt

Het primaire (of totale) energiegebruik is de som van de binnenlandse primaire energieproductie en de netto invoer van energie. Vlaanderen voert het gros van de benodigde energie in. De binnenlandse energieproductie omvat vooral de energetische valorisatie van restbrandstoffen uit de chemische sector, restafval en de hernieuwbare stroomproductie uit biomassa, zonne- en windenergie. Die binnenlandse energieproductie verdubbelde van circa 4 % begin jaren '90 naar 8,8 % van het primair energiegebruik in 2015, maar blijft bescheiden. In 2016 werd zelf een iets kleiner aandeel van 8,3 % opgetekend.

Fossiele brandstoffen blijven energiemix domineren

Het aandeel van fossiele brandstoffen (kolen, gas en vooral olie samen met de bunkerbrandstoffen) in het primair energiegebruik schommelt al enkele jaren rond de 77 % (76,1 % in 2016). Daarmee blijven ze de energiemix in Vlaanderen domineren. Iets meer dan één vijfde van die fossiele energie is echter voorbehouden voor de internationale scheep- en luchtvaart. Het betreft bunkerbrandstoffen voor schepen (gas- en dieselolie, zware stookolie) en vliegtuigen (kerosine) die tanken in de Vlaamse zee- en luchthavens, maar die eigenlijk uitgevoerd worden.

Wat de andere fossiele brandstoffen betreft, liep het aandeel van steenkool sterk terug in de periode tot 2010. Maar dat slinkende aandeel in het primaire energiegebruik werd vooral gecompenseerd door een toename van het aardgasgebruik.

Door het tijdelijk uitvallen van kernreactoren in de periode 2012-2015 was het aandeel van kernenergie of de inzet van splijtstoffen teruggevallen van 14,5 % in 1990 tot 6,6 % in 2015. Dit werd die jaren grotendeels gecompenseerd door een verhoogde netto stroominvoer. In 2016 waren de 4 kerncentrales van Doel het gros van de tijd wel weer operationeel, wat het aandeel van kernenergie opnieuw deed opveren naar 12,4 %.

Energiesector gebruikt zelf een vijfde van de energie

Het bruto binnenlands energiegebruik (BBE) is op zijn beurt de som van het eigen energiegebruik en de verliezen van de energiesector enerzijds, en het eindgebruik door de overige sectoren anderzijds.

De energieverliezen bij transformatie, transport en distributie van energie en het eigen energiegebruik van de energiesector (elektriciteitscentrales, raffinaderijen en aardgasdistributie) lopen op tot 21 % van het bruto binnenlands energiegebruik (of 17 % van het primaire energiegebruik).

Transport enige sector met stijgend energiegebruik

Het netto binnenlands energiegebruik bestaat uit twee delen: het energetische eindgebruik (voor verwarming, verlichting, aandrijving …) en het niet-energetische eindgebruik (gebruik van energie-dragers als grondstof: bv. aardgas voor de productie van ammoniak of nafta voor kunststoffen).

Dit niet-energetisch eindgebruik van energiedragers voor de aanmaak van andere producten of voor niet-energetische doeleinden, kende vooral in de jaren 90 een sterke stijging. Na enkele stabiele jaren begin 2000 vertoont het niet-energetisch eindgebruik, waarvoor voornamelijk de chemische industrie verantwoordelijk is, een verloop dat schommelt tussen 250 PJ en 290 PJ. Zo zorgde bv. de economische crisis voor een opmerkelijke daling in 2009 (-15 % t.o.v. 2008), maar bereikte het niet-energetisch energiegebruik in 2011 al een nieuw recordniveau. Deze schommelingen liggen in het verlengde van het productieniveau van de chemische industrie.

Het energiegebruik per sector wordt besproken in een aparte indicatorficheOpmerkelijk hierbij is dat alle sectoren sinds 2010 een eerder dalend energiegebruik laten optekenen, met uitzondering van transport. In de transportsector klom het energiegebruik na een terugval in de nasleep van de economische crisis naar een nieuw recordniveau in 2016.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid