Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Systemen / Energie / Energiegebruik per sector

Energiegebruik per sector

De vraag naar energie door de verschillende sectoren in Vlaanderen is de sturende kracht voor de ontwikkeling van de energiesector, en in belangrijke mate een verklarende factor voor het verloop van de activiteits- en milieudrukindicatoren van die energiesector.

Deze indicator gaat na hoe het energiegebruik van de verschillende sectoren evolueert.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: december 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Sander Devriendt

Fluctuerende verloop

Het bruto binnenlands energiegebruik kent een fluctuerend verloop omdat het energiegebruik door tal van factoren bepaald wordt zoals de economische activiteiten of de strengheid van de winters. In 2017 lag het energiegebruik 29,1 % hoger dan in 1990, ten opzichte van 2005 kan een daling worden opgetekend van 5,6 %. In 2010 was het energiegebruik het hoogst, hierna daalde het verbruik tot in 2014 om daar opnieuw te stijgen. In 2016 en 2017 lag het energiegebruik op een gelijkaardig niveau.

Weersomstandigheden

Zowel bij huishoudens als bij de sector handel & diensten is ruimteverwarming van respectievelijk woningen en bedrijfslokalen de energiefunctie met het grootste aandeel in het totale eindgebruik. Circa 85 % van het gebruik van stookolie, steenkool, butaan, propaan, LPG en aardgas in deze sectoren blijkt klimaatafhankelijk. Bovendien wordt tussen een vierde en een vijfde van het stroomverbruik door huishoudens ingezet voor de hoofdverwarming in de woning. In grote kantoorgebouwen is er ook een toenemend stroomgebruik voor ruimtekoeling of airconditioning.

Het buitenklimaat heeft ook een invloed op het energiegebruik in de industrie en de landbouw (vooral bij glastuinbouw en intensieve veeteelt), maar het aandeel van dat energiegebruik voor industriële gebouwen is vrij beperkt vergeleken met het totale industriële energiegebruik. Weersomstandigheden hebben tevens invloed op een aantal processen in de industrie, voornamelijk proceskoeling.

Het effect van de winterse weersomstandigheden kunnen we kwantificeren met behulp van het aantal graaddagen (zie figuur 2). Voor alle dagen in een jaar wordt het aantal graden dat de gemiddelde etmaaltemperatuur onder de 15 °C duikt, opgeteld. Hoe meer graaddagen een jaar heeft, hoe kouder het geweest is en hoe hoger de potentiële verwarmingsbehoefte oploopt als functie van het buitenklimaat. 2010 en 2013 waren vrij koude winters in tegenstelling tot 2007, 2011 en 2014 die zeer zachte winters waren (zie energiegebruik huishoudens).

Activiteiten

De relevante indicator voor de activiteit van huishoudens is het aantal woningen, of bij benadering het aantal huishoudens. Onder invloed van een stijgend bevolkingsaantal en het fenomeen van gezinsverdunning is dat aantal huishoudens in Vlaanderen gestegen met 15,6 % tussen 2000 en 2017.

Voor de sectoren handel & diensten, industrie en landbouw kunnen we gebruik maken van verschillende indicatoren: bijvoorbeeld bruto toegevoegde waarde of aantal werknemers, of meer specifieke kengetallen zoals aantal ziekenhuisbedden (gezondheidszorg) of productie in fysieke eenheden (bijvoorbeeld ton staal). Omwille van de vergelijkbaarheid tussen sectoren hanteren we de bruto toegevoegde waarde. In Vlaanderen is de bruto toegevoegde waarde tussen 2000 en 2017 met 34 % gestegen. Het dalend energiegebruik in 2009 kan duidelijk worden toegeschreven aan de financieel-economische crisis (Voor een analyse tussen de activiteitsgraad, energiegebruik, milieudruk ... per sector, kunnen de indicatoren rond eco-efficiëntie worden geraadpleegd)

Het activiteitsniveau binnen transport wordt opgevolgd aan de hand van het aantal afgelegde personenkilometers voor personenvervoer en tonkilometers voor goederenvervoer. Het geheel van alle gemotoriseerde verkeersmodi voor personen (auto, moto, bus, tram en trein) steeg met 8 % tussen 2000 en 2016, het aantal tonkilometers steeg met 50 %. In tegenstelling tot de personenkilometers kenden de tonkilometers een sterke daling tijdens de crisis van 2009.

Het activiteitsniveau in de energiesector (vooral elektriciteitscentrales, raffinaderijen en aardgasdistributie) wordt aangestuurd door de energievraag van de andere sectoren.

Structuur

Voor woningen zien we de voorbije jaren in Vlaanderen een langzame verschuiving van eengezinswoningen (gesloten, halfopen of open bebouwing) naar meergezinswoningen (appartementen, studio’s, flats). Rijhuizen en appartementen hebben het voordeel dat ze compacter zijn, met een kleinere energiebehoefte voor verwarming. Maar het aandeel van open en halfopen bebouwing blijft groot in vergelijking met andere Europese landen.

De snellere groei van de (minder energie-intensieve) sector handel & diensten in Vlaanderen resulteert in een toenemend belang van deze sector in de Vlaamse economie, en dit ten koste van het aandeel voor de industrie en de landbouw. Maar binnen de industrie blijven de deelsectoren met een intensief energiegebruik zoals metaal en chemie groot.

Bij transport zien we voor het personenverkeer een lichte verschuiving naar publiek transport zoals trein, tram en bus. Voor het goederenvervoer vertoonde het aandeel van wegtransport een stijging tussen 2000 en 2009, met daarna slechts een beperkte terugval. De meer milieuvriendelijke modi spoor en binnenvaart slaagden er niet in het aandeel wegverkeer in het totale goederenvervoer te verkleinen.

Energie-intensiteit

Energie-intensiteit, of het specifieke energiegebruik per eenheid activiteit, is het omgekeerde van energie-efficiëntie. Hoe groter de energie-efficiëntie (hoeveelheid activiteit verricht per eenheid energie), hoe kleiner de energie-intensiteit.

De energiekwaliteit van het gebouwenbestand in Vlaanderen is sedert 2006 toegenomen. Dat is vooral te verklaren door regulering (de omzetting van de Europese Richtlijn over de energieprestatie van gebouwen) voor nieuwbouw, en door talloze informatieve en financiële prikkels van overheidswege (subsidies, leningen, belastingaftrekken) voor isolatie en renovatie van gebouwen. De transitie naar een duurzaam woningenpark verloopt langzaam, doordat Vlaanderen een (ver)oud(erd) woningenpark heeft en het sloop- en renovatiepercentage in Vlaanderen beneden het Europees gemiddelde ligt.

Voor de industrie zijn de mogelijke kostenbesparing en de (vrijwillige) overeenkomsten tussen de overheid en de vertegenwoordigers van de deelsectoren een drijfveer om over te gaan tot energiebesparende maatregelen.

De energie-efficiëntie van voertuigen wordt hoofdzakelijk bepaald door Europese wetgeving.

Besluit

Voorgaande paragrafen illustreren dat het energiegebruik in de verschillende sectoren wordt beïnvloed door meerdere factoren. Het ontwarren van de invloed van elk van die individuele factoren is geen evidentie. Voor een meer diepgaande analyse kan u het energiegebruik en de eco-efficiëntie en het energiegebruik van de sectoren raadplegen.

www.milieurapport.be is een officiële website van de Vlaamse overheid

Elke dag opnieuw werkt de Vlaamse Milieumaatschappij aan het milieu van morgen. Water, lucht en milieurapportering zijn onze kerntaken.