Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Systemen / Energie / Groene stroom

Elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen (groene stroom)

Deze indicator geeft voor Vlaanderen een overzicht van de productie aan groene stroom of elektriciteit geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen zoals waterkracht, zonne-energie, windenergie, biomassa, aardwarmte, golfenergie en getijdenenergie.

Groene stroom heeft in vergelijking met elektriciteit gewonnen uit andere energiebronnen (fossiele brandstoffen, kernbrandstof) vooral voordelen:

  • het is ‘schoon’: geen of minder uitstoot van vervuilende stoffen, weinig of geen afval,
  • het is duurzaam: geen uitputting van eindige energievoorraden,
  • het vermindert onze buitenlandse afhankelijkheid qua energiebevoorrading en
  • het vergemakkelijkt de combinatie met andere menselijke activiteiten in bebouwde omgeving door de kleinschalige, modulaire aard van sommige hernieuwbare energietechnieken.
Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: augustus 2016
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Johan Brouwers

Doelstellingen

De Europese richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen verplicht België om het energiegebruik afkomstig uit hernieuwbare energiebronnen op te trekken van 2,2 % in 2005 naar 13 % in 2020. België kan zelf bepalen of en hoe deze doelstelling verder wordt gespecificeerd naar groene stroom, groene warmte & koude en biobrandstoffen. Eind 2015 kwamen de verschillende overheden in ons land overeen dat Vlaanderen in 2020 zal instaan voor 2,156 Mtep (miljoen ton petroleumequivalenten) of 90,267 PJ hernieuwbare energie, goed voor 51 % van de benodigde hoeveelheid om de doelstelling van 13 % hernieuwbare energie in België tijdig te realiseren.

Binnen het kader van deze doelstelling voor hernieuwbare energie is geen specifiek doel bepaald voor het deel groene stroom afzonderlijk. Binnen Vlaanderen hebben de stroomleveranciers wel een verplichting om jaarlijks een vooraf bepaald aantal groenestroomcertificaten (GSC’s) in te leveren. Voor een bespreking van dit GSC-systeem dat slechts van toepassing is op een deel van het finaal stroomverbruik in Vlaanderen, verwijzen we naar de website van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG).

Zon en wind leveren voor het eerst meer dan de helft van de groene stroom

In 2010 kwam de totale netto productie1 van groene stroom in Vlaanderen uit op 3 370 GWh, 4 jaar later was dit cijfer al toegenomen met bijna 80 % tot 6 020 GWh. Aangevuurd door een gunstig ondersteuningsmechanisme nam vooral de stroomproductie in PV-panelen sterk toe: +330 % op 4 jaar tijd. Ook windturbines op land ('onshore') lieten met een productiestijging van 158 % een belangrijke toename optekenen (eerste figuur).

Tot 2012 nam ook de stroomproductie op basis van biologisch materiaal (biogas + vaste biomassa + stroomproductie bij verbranding organische fractie huisvuil) nog verder toe. In de laatste jaren zagen we echter een daling bij de inzet van vaste biomassa. Belangrijke feiten in die context zijn de sluiting van de coverbrandingscentrale van Ruien in het voorjaar van 2013, alsook het tijdelijk stilleggen van de stroomproductie in de biomassacentrale van Rodenhuize in 2014 bij afwezigheid van de goedkeuring van enkele sectorfederaties opdat het aanwenden van houtpellets in aanmerking zou kunnen komen voor groenestroomcertificaten. Hierdoor, maar zeker ook door de sterke opkomst van zonne- en windenergie zelf, nam het aandeel van stroomproductie op basis van biologisch materiaal stelselmatig af van 90 % in 2000 naar 74 % in 2010 en 48 % in 2014.

Inmiddels is het aandeel van groene stroom in de totale netto elektriciteitsproductie toegenomen van 0,4 % in 2000 naar 6,2 % in 2010 en 16,2 % in 2014. Daarbij speelde naast de toegenomen productie van groene stroom (teller) zeker ook de terugval in totale netto stroomproductie binnen Vlaanderen (noemer) een rol, onder andere door het regelmatig stilleggen van verschillende kerncentrales en het stopzetten van stroomproductie in enkele centrales op fossiele brandstoffen.

De tweede figuur geeft het aandeel van de bruto groenestroomproductie weer in het bruto eindgebruik van elektriciteit in Vlaanderen. In tegenstelling tot bij de eerste figuur (netto) zijn nu ook de stroom gebruikt bij de stroomproductie zelf en de verliezen tijdens distributie & transmissie verrekend. Volgens deze berekening, die aansluit bij de bepalingen van de Europese Richtlijn 2009/28/EG, nam het aandeel van groene stroom in het bruto eindgebruik van elektriciteit toe van 1,8 % in 2005 naar 5,8 % in 2010 en 10,5 % in 2014. Ook hier was de relatief sterke toename in de laatste jaren niet enkel een gevolg van de toegenomen productie van groene stroom (teller), maar ook van een daling met 5 % in het stroomgebruik (noemer) tussen 2010 en 2014.

Ondersteuningsmechanisme herzien

De uitbouw van infrastructuur voor de productie van groene stroom in Vlaanderen wordt hoofdzakelijk ondersteund door een systeem van groenestroomcertificaten. Hierbij worden elektriciteitsleveranciers verplicht voor een jaarlijks toenemende fractie van hun leveringen certificaten voor te leggen die aantonen dat de stroom in Vlaanderen werd opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen. Leveranciers die onvoldoende certificaten inleveren, dienen per ontbrekend GSC een boete te betalen die hoger ligt dan de gemiddelde marktprijs voor de GSC.

Leveringen aan grote stroomverbruikers (boven 1 000 MWh) zijn gedeeltelijk vrijgesteld van de certificaatplicht. Anderzijds kwam vanaf 1 januari 2010 niet langer alle groene stroom in aanmerking voor GSC: bij kolencentrales met een vermogen van meer dan 50 MWe komt maar 50 % van de stroom opgewekt uit de coverbranding van biomassa in aanmerking voor GSC, wanneer het aandeel van biomassa kleiner of gelijk is aan 60 %. Om het aantal uitgereikte en ingeleverde certificaten geen één-op-één relatie meer heeft met de totale groenestroomproductie in Vlaanderen, verwijzen we voor een opvolging van het certificaatsysteem voortaan naar de website van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

Midden 2012 keurde het Vlaams Parlement een herziening van het GSC-systeem goed. Om de maatschappelijke kosten van het ondersteuningsmechanisme te beheersen worden de subsidienoden per technologie voortaan permanent geëvalueerd, en bijgesteld zodra als nodig. Daarbij wordt o.a. rekening gehouden met de investeringskosten, de afschrijvingstermijn, de marktprijs voor stroom en de eventuele brandstofkosten (bij inzet biomassa). Zo leidde de herziene regeling er al toe dat de gegarandeerde minimumprijs voor certificaten van nieuw in gebruik te nemen PV-installaties midden 2012 werd verlaagd van 230 euro naar 90 euro per MWh groene stroom. Dat zorgde voor het eerst in jaren voor een belangrijke terugval in het aantal nieuw geïnstalleerde PV-installaties: van bijna 85 000 in 2011 naar ruim 44 000 in 2012. Begin 2013 daalde de gegarandeerde minimumprijs voor de PV-certificaten verder naar 21,4 euro met nog eens een decimering van het aantal nieuwe installaties tot gevolg (4065 in 2013). Vanaf midden 2015 krijgen nieuwe, particuliere PV-installaties geen certificaten meer: het plaatsen van zulke installaties wordt voortaan als rendabel gezien zonder noodzaak tot indirecte subsidiëring via het GSC-systeem.

1 Het overzicht van de groenestroomproductie (eerste figuur) per energiebron omvat de totale hoeveelheid netto geproduceerde groene stroom, dus ook de productiehoeveelheid die niet aanvaardbaar is voor de Vlaamse certificatenverplichting.

 

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid