Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Transport / Modale verdeling van woon-werk en -schoolverkeer

Modale verdeling van woon-werk en -schoolverkeer

Woon-werk- en woon-schoolverplaatsingen nemen een belangrijk deel in van het personenvervoer en hebben vooral ’s morgens en ’s avonds een wezenlijke impact op de milieudruk door transport. Deze indicator toont het hoofdvervoermiddel waarmee de werkende bevolking en de scholieren/studenten zich in Vlaanderen verplaatsen voor respectievelijk woon-werk- en woon-schoolverkeer. Naast de gebruikte vervoerwijze bepaalt ook de afgelegde afstand de milieueffecten; deze wordt ook in de tekst besproken.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: mei 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Greet De Coster

Groot potentieel voor duurzaam woon-werkverkeer

Het Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen (OVG) peilt naar het hoofdvervoermiddel gebruikt voor woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer.

In de periode 2008-2017 is de verhouding tussen de verschillende hoofdvervoerwijzen in het woon-werkverkeer vrij constant gebleven. De fiets lijkt er wel licht op vooruit te gaan en het openbaar vervoer lijkt er licht op achteruit te gaan. De cijfers schommelen echter zo sterk tussen jaren dat er op basis van de beschikbare gegevens nog geen zekerheid hieromtrent kan gegeven worden. Het aantal fietsverplaatsingen steeg van 11 à 12 % t.e.m. 2012 naar 14-16 % vanaf 2013. De elektrische fiets is aan een opmars bezig, maar voorlopig is het aantal verplaatsingen met de elektrische fiets nog beperkt (2 % in 2017). Het aandeel openbaar vervoer (trein, bus, tram en metro) schommelt rond 10 %. De hoogste waarde werd bereikt in 2009 (12 %). De fiets is dus duidelijk populairder dan het openbaar vervoer voor de woon-werkpendel. Het aandeel van de woon-werkverplaatsingen met de auto (voornamelijk als bestuurder) schommelde al die tijd rond 70 %. Ongeveer 3 % van de verplaatsingen gebeurde te voet. Bedrijfsvervoer en motor-, brom-, en snorfiets hebben een aandeel van resp. ongeveer 1 en 2 %.

Eén van de doelstellingen van het Pact 2020 is dat 40 % van de woon-werkverplaatsingen tegen 2020 moet gebeuren door collectief vervoer (o.a. openbaar vervoer en bedrijfsvervoer), te voet of per fiets. Dit aandeel schommelde tussen 25 % en 30 % in de periode 2008-2017. Het lijkt dus moeilijk om tegen 2020 te evolueren naar het streefcijfer van 40 %.

De tweede doelstelling van het Pact 2020 wat betreft woon-werkverkeer is dat het aantal kilometer afgelegd per persoon met de wagen in functie van het woon-werkverkeer drastisch moet verlagen tegen 2020. In de periode 2008-2017 varieerde dit cijfer tussen 30 en 36 km/dag, zonder een duidelijke trend te vertonen. Het halen van deze doelstelling lijkt dus ook nog veraf.

De gemiddelde woon-werkafstand schommelt al 10 jaar tussen 17 en 20 km. In 2017 bedroeg ongeveer een kwart (23 %) van de woon-werkverplaatsingen minder dan 5 km. Ongeveer de helft (52 %) van deze verplaatsingen gebeurde met de wagen (meestal als bestuurder), 39 % werd afgelegd met de fiets of te voet. Voor woon-werkafstanden tot 10 km (43 % van het totaal), gebruikt 60 % de auto en 32 % de actieve modi. Er is hier dus nog een groot potentieel voor omschakeling naar meer duurzaam transport, zeker nu de elektrische fiets aan populariteit wint.

De Federal diagnostiek woon-werkverkeer 2017-2018 toont aan dat de toegankelijkheid van het openbaar vervoer de belangrijkste factor is die de vervoerswijze naar het werk bepaalt, naast de afstand tussen het woon- en werkadres, de graad van verstedelijking van de werklocatie en daarmee gekoppeld de bedrijfssector.

Ook nog ruimte voor duurzamer woon-schoolverkeer

Net als bij het woon-werkverkeer is het aandeel van de verschillende vervoerwijzen voor het woon-schoolverkeer in het algemeen vrij stabiel tijdens de periode 2008-2017, ook al zijn de schommelingen tussen jaren behoorlijk groot. Omdat het hier kinderen en jongeren betreft, ziet de modale verdeling er wel helemaal anders uit dan van het woon-werkverkeer.

De fiets en de auto (voornamelijk als passagier) vormen samen de belangrijkste vervoermiddelen voor het woon-schoolverkeer, met vergelijkbare aandelen rond 30 % voor beide. Het openbaar vervoer komt op de derde plaats. Het lijkt iets aan populariteit ingeboet te hebben tijdens de afgelopen 10 jaar (aandeel van 28 % in 2008-2009 en van 24 % in 2016-2017). Ongeveer 10 % ging te voet naar school; 3 à 4 % nam schoolvervoer. Ongeveer 70 % van de schoolverplaatsingen gebeurde duurzaam.

De gemiddelde woon-schoolafstand schommelt tussen 8 à 10 km. In 2017 woonde 40 % van de jongeren op minder dan 2,5 km van de school, 61 % op minder dan 5 km en 76 % in een straal van 10 km. Tot een afstand van 5 km, pendelde 64 % te voet of per fiets en 26 % met de wagen. Voor afstanden tot 10 km gebruikte 58 % de ‘zachte’ modi en 27 % de auto. Het woon-schoolverkeer verloopt dus heel wat duurzamer dan het woon-werkverkeer. Toch is er ook hier nog ruimte voor het vergroten van het aandeel milieuvriendelijke mobiliteit.

Maatregelen voor duurzame pendel

De verschillende overheden trachten het gebruik van de fiets en het openbaar vervoer te stimuleren. Maatregelen omvatten:

  • Verbeteren en uitbreiden van fiets- en wandelinfrastructuur, bv. fietssnelwegennetwerk en trage wegennetwerk;
  • Bevorderen van het openbaar vervoer door investeringen in vervoermaatschappij De Lijn en het inrichten van vrije busbanen;
  • Bevorderen van carpoolen door gratis aansluiting bij de Vlaamse carpooldatabank en de aanleg van carpoolparkings;
  • Aanbieden van fietsvergoeding, mobiliteitsbudget en/of mobiliteitsvergoeding aan werknemers;
  • Ondersteuning bieden aan werkgevers die duurzame mobiliteit promoten, bv. via  Pendelfonds;
  • Ondersteuning en/of subsidies voor scholen bij de uitwerking van initiatieven ten voordele van duurzame en veilige mobiliteit van hun leerlingen;
  • Mogelijk BTW verlaging op fietsen van 21 % naar 6 % vanaf ten vroegste 2020.

Daarnaast trachten sommige mobiliteitsorganisaties ook de woon-werk- en woonschoolpendel te verduurzamen, o.a. door:

  • Sensibilisering via campagnes zoals de Week van de Mobiliteit (Netwerk Duurzame Mobiliteit);
  • Begeleiding van gemeenten en scholen om werk te maken van duurzaam woon-schoolverkeer en veilige, kindvriendelijke schoolomgevingen via het Octopusplan (Voetgangersbeweging).

Ten slotte zijn er ook nog burgerinitiatieven zoals Filter Café waarbij ouders actie voeren tegen de dominantie van de auto, luchtvervuiling en verkeersonveiligheid aan de schoolpoorten.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid