Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Transport / Modale verdeling van woon-werk en -schoolverkeer

Modale verdeling van woon-werk en -schoolverkeer

Het woon-werkverkeer en het woon-schoolverkeer nemen een belangrijk deel in van het personenvervoer. Deze dagelijkse verplaatsingen hebben een wezenlijke impact op de milieudruk door transport. Zowel de afgelegde afstand als de gebruikte vervoerwijze bepalen mee de milieueffecten. De indicator geeft de verdeling per vervoerwijze weer van de woon-werk- en woon-schoolverplaatsingen en de afgelegde afstand als autobestuurder voor woon-werkverplaatsingen.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: maart 2018
Actualisatie: Jaarlijks

Het Pact 2020 formuleert een aantal doelstellingen wat betreft het woon-werkverkeer. Het aantal kilometer dat per persoon wordt afgelegd met de wagen in functie van het woon-werkverkeer moet drastisch verlagen tegen 2020. Bovendien moet 40 % van de woon-werkverplaatsingen tegen 2020 gebeuren enerzijds door collectief vervoer, waaronder het openbaar vervoer, en anderzijds te voet of per fiets.

Het Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen (OVG) peilt via een persoonsvragenlijst naar het hoofdvervoermiddel gebruikt voor woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer. In de periode 2007-2008 van OVG 3 was de steekproef groter (ongeveer 8 000 ondervraagde personen) dan in de vijf opeenvolgende periodes van OVG 4 tussen 2008 en 2013 en OVG 5 (jaarlijks ongeveer 1 600 ondervraagde personen). De interpretatie van de resultaten met betrekking tot de evolutie over de jaren moet dan ook met omzichtigheid gebeuren.

Figuur 1 toont dat het aandeel van de woon-werkverplaatsingen met de auto steeg van 70 % in de periode 2007-2008 naar 73 % in de periode 2011-2012. In de daaropvolgende periodes daalde dit aandeel naar 72 % in de periode 2016-2017. Het openbaar vervoer (trein, bus, tram, metro) neemt een relatief stabiel aandeel in de woon-werkverplaatsingen in, tussen 9 % en 12 %. Na een lichte daling in 2010-2011, stijgt het aandeel fietsverplaatsingen aanzienlijk naar 16 % in de periode 2016-2017. Ongeveer 2 à 4 % van de verplaatsingen gebeurde te voet. Het aandeel van de motor-, bromfiets en snorfiets is ook vrij stabiel en bedroeg in 2016-2017 ongeveer 1 %. De verdeling over de verschillende vervoermiddelen lijkt dus te verschuiven van verplaatsingen met de wagen naar verplaatsingen met de fiets. Opvallend is dat het aandeel auto als passagier een tijdelijke terugval kent in de periode 2015-2016 naar 1,5 % (ongeveer 3 % in de andere periodes). Met 25 % was het aandeel van openbaar vervoer, bedrijfsvervoer, fiets en te voet was laagst in de periode 2011-2012, en steeg dit aandeel tot 28 % in 2016-2017. Dit cijfer lijkt op die manier goed te evolueren naar het streefcijfer van 40 % tegen 2020, zoals vooropgesteld in het Pact2020.

De Federale Diagnostiek voor woon-werkverplaatsingen (2014) geeft aan welke variabelen een significante invloed hebben op de vervoerswijzekeuze. De meest belangrijke factor is de toegankelijkheid van het openbaar vervoer.  Maar ook de graad van verstedelijking van de werklocatie en daarmee gekoppeld de bedrijfssector en de afstand tussen het woon- en werkadres, worden vermeld in het rapport van de Federale Diagnostiek voor woon-werkverkeer.

De tweede doelstelling wat betreft woon-werkverkeer van het Pact 2020 gaat in op het aantal kilometer dat per persoon wordt afgelegd met de wagen als hoofdvervoermiddel in functie van het woon-werkverkeer. In de periode 2007-2008 was dit voor autobestuurders 34,1 km/dag en in de periode 2016-2017 bedroeg dit 35,6 km/dag. In de periodes voor 2015 schommelde dit cijfer tussen 30,1 en 34,6 km/dag. Het totaal aantal kilometers door alle autobestuurders afgelegd per dag voor woon-werkverkeer wordt geschat op respectievelijk 61,9 miljoen voor de periode 2007-2008 en 67,5 miljoen voor de periode 2016-2017. De cijfers omtrent de evolutie dienen omzichtig geïnterpreteerd te worden. Het is niet correct om in deze cijferreeks een opwaartse trend te zien. De cijfers fluctueren immers sterk van jaar tot jaar.

In 2016-2017 bedroeg de gemiddelde woon-werkafstand 19,6 km. Ongeveer 25 % van de woon-werkverplaatsingen is minder dan 5 km; bijna 50 % van deze verplaatsingen wordt nog afgelegd met de wagen (als bestuurder of als passagier) en bijna 40 % met de (elektrische) fiets. In deze afstandscategorie ligt het grootste potentieel voor omschakeling naar trage modi zoals te voet of met de fiets. Bijna de helft van de woon-werkverplaatsingen is minder dan 10 km (45 %). Ongeveer een tiende van de verplaatsingen is tussen 30 en 50 km. Het aandeel verplaatsingen van 50 km en meer is 7,3 %.

Een verlaging van het aantal afgelegde km per persoon met de auto in functie van het woon-werkverkeer kan onder meer door het stimuleren van thuiswerk, naast het gebruik van de fiets en het openbaar vervoer. De Vlaamse en lokale overheden (provincies, steden en gemeenten) zetten in op een aantal maatregelen om het aandeel van het aantal autoverplaatsingen te verminderen:

  • Inrichten van een beter trage wegennetwerk en de realisatie van een fietssnelwegennetwerk.
  • Bevorderen van het openbaar vervoer: investeringen voor bus, tram en metro bij De Lijn maar ook bv. voor het inrichten van vrije busbanen.
  • Bevorderen van carpoolen: gratis aansluiting bij de Vlaamse carpooldatabank, investeringen in de aanleg van carpoolparkings.
  • Ondersteunen van bedrijven voor het nemen van maatregelen voor duurzame vervoersstromen via het Pendelfonds.
  • Belastingsverlaging bij de aankoop en beveiliging van fietsen en confortmaatregelen (Belgische overheid) vanaf 2009.
  • Ondersteuning in het opmaken van bedrijfsvervoerplannen.
  • Fietsvergoeding voor werknemers en de mogelijkheid voor de invoering van een mobiliteitsbudget voor openbaar vervoer ter aanvulling van een bedrijfswagen.
  • Overige initiatieven met het oog op sensibilisatie en infrastructuur, zoals de Week van de Mobiliteit - die samenvalt met het gelijknamige Europese initiatief -, en het LaMA-project (Laboratoria Mobiele Alternatieven) waarin gemeenten kunnen instappen om lokale mobiliteitsproblemen duurzaam en participatief te kunnen oplossen.

Figuur 2 toont dat de modale verdeling van het woon-schoolverkeer er helemaal anders uitziet vergeleken met het woon-werkverkeer. Het gaat dan ook om kinderen, jongeren en studenten in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en het hoger onderwijs. De fiets, de auto (voornamelijk als passagier) en het openbaar vervoer vormen samen de belangrijkste vervoersmiddelen voor woon-schoolverkeer, met bijna evenwaardige aandelen in de mix van gebruikte vervoersmodi. In 2016-2017 ging bijna een derde van de jongeren met de fiets naar school (31?2 %). In 26,5 % van de gevallen werd men met de auto gebracht en 24,2 % van de keren nam men het openbaar vervoer. De lijnbus werd daarbij door jongeren drie keer zo vaak gebruikt dan de trein (18,4 % vs. 5,8 %). 9,5% van de scholieren ging te voet. Bijna 70 % van de schoolverplaatsingen gebeurde dus ‘duurzaam’: met het openbaar vervoer, de fiets, het schoolvervoer (autocar) of te voet. Er zijn geen significante verschillen in de aandelen van de verschillende vervoersmodi voor woon-schoolverkeer waar te nemen in de periode tussen 2007 en 2017.

De gemiddelde woon-schoolafstand bedroeg 8,2 km. Bijna 40 % van de jongeren woont op minder dan 2,5 km van de school, ruim de helft op minder dan 5 km (59 %),en meer dan drie kwart woont in een straal van 10 km. Van deze groep jongeren, pendelt in 2016-2017 ongeveer 50 % met ‘zachte’ modi naar school en 28 % met de wagen. Dit betekent dat er zeker nog ruimte is voor het vergroten van het fietsaandeel.

Via het Octopusplan (www.octopusplan.be) biedt de Voetgangersbeweging gemeenten begeleiding aan bij het samenstellen van een maatregelenpakket om leerlingen aan te zetten duurzaam en veilig naar school te komen. Verder kunnen scholen aankloppen bij de provincies voor ondersteuning en/of subsidies bij de uitwerking van initiatieven ten voordele van duurzame en veilige mobiliteit van hun leerlingen. Een aantal Vlaamse steden en gemeenten, zoals Gent, voorzien ook een subsidieprogramma voor projecten die duurzame mobiliteit beogen.  

 

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid