Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Transport / Hernieuwbare energie transport

Hernieuwbare energie door transport

De sector transport omvat wegverkeer, scheepvaart (binnenvaart en binnenlandse zeevaart), spoorverkeer en (binnenlandse) luchtvaart. Deze indicator gaat na in welke mate deze sector verschillende vormen van hernieuwbare energie inzet, namelijk biobrandstoffen en groene stroom. Biobrandstoffen worden gemaakt op basis van biomassa. Ze kunnen helpen om de CO2-uitstoot van transport terug te dringen als ze gebruikt worden ter vervanging van fossiele brandstoffen zoals diesel en benzine. Groene stroom is elektriciteit die wordt opgewekt uit duurzame energiebronnen, bv. wind- en zonne-energie. Bij de productie van groene stroom komen minder vervuilende stoffen vrij dan bij de productie van elektriciteit uit fossiele brandstoffen en kernenergie. Hernieuwbare energie gaat de uitputting van eindige energievoorraden tegen, draagt niet bij aan de klimaatverandering en vermindert onze buitenlandse afhankelijkheid wat betreft energiebevoorrading.

Evaluatie: Icon neutraal
Laatst bijgewerkt: februari 2020
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Greet De Coster

Biodiesel voornaamste bron van hernieuwbare energie

In 2018 bedroeg in Vlaanderen de totale hoeveelheid hernieuwbare energie gebruikt door transport 14,59 PJ (berekend volgens de EU-voorschriften). Ze bestond voor 68 % uit biodiesel, 17 % uit bio-ethanol en 15 % uit groene stroom. Hernieuwbare energie heeft een aandeel van 6,6 % in het totale energiegebruik door transport. De Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (2009) verplicht België om het aandeel hernieuwbare energie in de transportsector op te trekken naar 10 % in 2020. Aan het huidige tempo zal deze doelstelling niet gehaald worden.

De beslissing van de federale overheid (juli 2009) tot een verplichte bijmenging van 4 %vol biobrandstoffen in diesel en benzine had een duidelijk positief effect op het aandeel hernieuwbare energie. Vanaf het derde kwartaal van 2014 wordt voor diesel de verplichte bijmenging van 5-7 %vol (voorheen maximaal 4 %vol) toegepast. Sinds 2014 bedraagt de bijmenging van bio-ethanol bij benzine E5 3-5 %vol; voor benzine E10, sinds 2017 beschikbaar op de Belgische markt, is dit 8-10 %vol (in vorige wetgeving was dat maximaal 6 %vol). De verhoogde bijmengplicht leidde zowel in 2014 als 2017 tot een gestegen aandeel hernieuwbare energie door transport.

Opvallend is de daling van de hoeveelheid biobrandstoffen in Vlaanderen in 2015 ten opzichte van 2014 en dit ondanks de gestegen wettelijke bijmengingsplicht vanaf 2014. Oorzaak van deze daling is een, weliswaar tijdelijke, afwezigheid van een bepaald artikel in het Belgisch Staatsblad, waardoor een aantal bedrijven dit interpreteerden als het ontbreken van een bijmengplicht voor biodiesel. Hierdoor werd in een bepaalde periode van 2015 geen biodiesel bijgemengd in de voor de Belgische markt bestemde transportbrandstoffen.

Sinds juli 2018 is het toegelaten om dieselbrandstoffen met een hoger aandeel plantaardige of synthetische olie te gebruiken in dieselmotoren. Het gaat met name om B10 (met 10 % biodiesel), B20 en B30 (met resp. 20 en 30 % biodiesel) voor bedrijfswagenparken, en synthetische diesel (XTL, op basis van aardgas, biomassa of plantaardige olie). Deze nieuwe norm wordt echter nog niet weerspiegeld in de cijfers van 2018.

Het verbruik van biodiesel en bio-ethanol situeert zich momenteel volledig bij het wegverkeer. Elektrisch spoorvervoer neemt nog steeds het grootste aandeel van het groene stroomverbruik bij transport voor zijn rekening, ondanks de stijging van het aantal geëlektrificeerde (zowel puur elektrische als plug-in hybride) wegvoertuigen (zie indicator voertuigen op alternatieve energie).

Geavanceerde biobrandstoffen naar voren geschoven

Traditionele biobrandstoffen, geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen (bv. koolzaad, suikerbieten, granen, soja of palmolie), worden als CO2-neutraal beschouwd, maar kunnen slechter zijn voor het klimaat dan fossiele brandstoffen wanneer hun productie gepaard gaat met (tropische) ontbossing. Bovendien kunnen ze leiden tot verlies van biodiversiteit, schending van mensenrechten en kunnen ze druk zetten op de voedselzekerheid. Voor geavanceerde biobrandstoffen stellen deze problemen zich niet, omdat deze gemaakt worden van afvalstoffen, residuen, non-food cellulosemateriaal en lignocellulose materiaal en dus niet concurreren met voedsel- en voedergewassen. Voorbeelden hiervan zijn: gebruikte frituurolie, oogstresten, houtafval, en biogas uit biologisch afval of mest.

De richtlijn (EU) 2015/1513 legt bijgevolg vast dat het aandeel biobrandstoffen uit voedsel- en voedergewassen maximaal 7 % mag bedragen in 2020, en bevoordeelt geavanceerde biobrandstoffen en groene stroomgebruik in de beoordeling van de doelstelling. Daarnaast engageerde België zich voor een bijmenging van minstens 0,1 % geavanceerde biobrandstoffen in 2020. In de praktijk gaat het vooral over biomethaan uit organische reststromen en mest, en eventueel bio-ethanol uit cellulose. Algen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische origine (bv. CO2 die omgezet wordt naar brandstof) mogen ook als grondstoffen voor geavanceerde biobrandstoffen gebruikt worden indien geproduceerd met hernieuwbare energie. De noodzakelijke technologieën zitten echter nog eerder in de onderzoeks- en demonstratiefase. Verder dienen landen bij het inzetten van afvalstromen voor de productie van biobrandstoffen rekening te houden met de afvalhiërarchie (zie Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen, 2008/98/EG) om te vermijden dat andere nuttige toepassingen van deze afvalstromen verdrongen worden.

Na 2020 verplicht de Richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (EU 2018/2001) de brandstofleveranciers om een steeds groter aandeel hernieuwbare brandstoffen te leveren. Het verplichte aandeel bedraagt 14 % in 2030, met inbegrip van ten minste 0,2 % geavanceerde biobrandstoffen en biogassen in 2022, 1 % in 2025 en 3,5 % in 2030. Bovendien moeten vanaf 2021 de broeikasgasemissies ten gevolge van het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong verminderd worden met minstens 70 %. Daarnaast mag het aandeel biobrandstoffen uit voedings- en voedergewassen maximaal 7 % bedragen in het weg- en spoorverkeer in 2020. Na 2023 neemt dit maximum aandeel verder af tot 0 % in 2030.

Miniem gebruik van biobrandstoffen in de luchtvaart

Als snel groeiende sector is het noodzakelijk dat ook de luchtvaart stappen onderneemt om haar broeikasgasemissies te verlagen. De inzet van hernieuwbare energie, met name vloeibare biobrandstoffen, is één van de weinige mogelijke manieren om de sector te vergroenen. Andere alternatieven, zoals elektriciteit of waterstof, kunnen immers maar beperkt opgeslagen worden aan boord.

Voor de luchtvaartsector is het echter belangrijk dat biobrandstoffen niet duurder zijn dan fossiele kerosine, gezien de beperkte winstmarges en de hoge, mondiale competitie. Ondanks de certificatie van een vijftal types biobrandstof voor gebruik in de luchtvaart, is het gebruik van biobrandstoffen op dit ogenblik nog marginaal ten opzichte van het totale brandstofverbruik in de luchtvaart.

De invoering van een kerosinetaks zou er wel voor kunnen zorgen dat biobrandstoffen sneller rendabel zijn. Gezien het mondiale karakter van de sector, is zulke maatregel moeilijk toepasbaar in de luchtvaart. Bovendien zijn er momenteel geen bindende doelstellingen voor de inzet van biobrandstoffen, omwille van technologische en wettelijke beperkingen. Toch hebben reeds een aantal landen beleidsmaatregelen ingesteld om het gebruik van biobrandstoffen in de luchtvaartsector te ondersteunen. Bovendien zal vanaf 2021 CORSIA (Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation) geïntroduceerd worden als belangrijkste mechanisme om de langetermijn decarbonisatiedoelstelling voor de luchtvaartsector (halvering netto broeikasgasemissies tegen 2050 t.o.v. 2005) te kunnen bereiken. De inzet van duurzame brandstoffen zal er, samen met de mogelijkheid om koolstofcompensaties af te kopen, voor moeten zorgen dat deze doelstelling behaald worden.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid