Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Transport / Energiegebruik

Totaal energiegebruik door transport

De sector transport omvat wegverkeer, scheepvaart, spoorverkeer en luchtvaart. Ze veroorzaakt milieudruk door het gebruik van energiebronnen: fossiele brandstoffen (diesel, benzine, LPG, zware stookolie, kerosine en CNG), biobrandstoffen en elektriciteit.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: januari 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Greet De Coster

Energiegebruik transport in stijgende lijn

De eerste figuur toont dat het totale energiegebruik door transport in het algemeen stijgt. Door de financieel-economische crisis in het najaar van 2008 daalde het energiegebruik wel tijdens de daaropvolgende jaren. Hierdoor werd in het jaar 2013 opnieuw de waarde van 2002 bereikt. Na de crisis zorgde de heropleving van de economie ervoor dat vanaf 2014 het energiegebruik opnieuw toenam. In het jaar 2016 was het energiegebruik 12 % hoger dan in het jaar 2000. Het totale energiegebruik door transport bedroeg 231 PJ in 2016 en had daarmee een aandeel van 15 % in het totale energiegebruik van Vlaanderen.

Wegverkeer neemt grootste aandeel in

Het wegverkeer neemt het grootste gedeelte van het totale energiegebruik voor zijn rekening, namelijk 96 % (221 PJ) in 2016. Dit hoge aandeel zorgt ervoor dat het energiegebruik van het wegverkeer en het totale energiegebruik dezelfde evolutie volgen. Ondanks het feit dat personenwagens en vrachtwagens energie-efficiënter worden, stijgt het energiegebruik van het wegverkeer verder. Dit is te wijten aan een toename van het aantal gereden kilometers (zie ook de indicator Personenkilometers van personenvervoer).

De tweede belangrijkste deelsector binnen de sector transport is de scheepvaart. Deze omvat de binnenvaart en de binnenlandse zeescheepvaart. In het jaar 2000 bedroeg het energiegebruik van de scheepvaart 4,1 % (8,5 PJ) van het totaal van transport; in 2016 was dit nog 2,7 % (6,3 PJ), ondanks de gestegen activiteit (zie indicator Tonkilometers goederenvervoer). Dit is te danken aan de vernieuwing van de vloot en de schaalvergroting in de scheepvaart, die leidt tot een hogere brandstofefficiëntie. Daarnaast wordt het energiegebruik van de scheepvaart ook beïnvloed door de economische activiteit, wat bv. merkbaar is aan de lagere waarde in 2009 onder de invloed van de crisis.

De derde deelsector binnen transport is het spoorverkeer. Het energiegebruik door het spoor daalt gestaag: van 2 % (4 PJ) in het jaar 2000 tot 1,4 % (3,2 PJ) in 2016 t.o.v. het totale energiegebruik door transport. Het gebruik van diesel door het spoor neemt af ten voordele van elektrische energie. In 2000 was het aandeel elektrische energie 70 % t.o.v. het totaal, in 2016 was dit geëvolueerd naar 78 %.

De luchtvaart is de vierde en laatste deelsector binnen transport. Het voor de luchtvaart getoonde energiegebruik vertegenwoordigt enkel het energiegebruik door de binnenlandse luchtvaart. Dit verklaart waarom het aandeel zo beperkt is: 0,03 % (0,06 PJ) van het totaal energiegebruik door transport in 2016.

Diesel blijft belangrijkste brandstof

De tweede figuur toont dat diesel en benzine het leeuwendeel van de energie gebruikt door transport leveren: 97 % à 98 % (200 à 224 PJ) van het totale energiegebruik t.e.m. het jaar 2009. Door de verdieselijking van het wagenpark en meer vrachtvervoer steeg het aandeel gewone diesel tussen het jaar 2000 en 2008 van 70 % naar 83 %, waarna een lichte daling begon (tot 78% in 2016). Het aandeel benzine halveerde (van 28 % in 2000 tot 13 % in 2011); sindsdien is er een lichte stijging merkbaar (tot 15 % in 2016).

Sinds 2009 is de bijmenging van biobrandstoffen bij diesel (nl. biodiesel) en benzine (nl. bio-ethanol) wettelijk bepaald. In 2016 bedroeg het gezamenlijke aandeel van diesel en benzine nog 93 % (215 PJ); het aandeel biobrandstoffen bedroeg 5 % (11,2 PJ), hoofdzakelijk door een stijgend gebruik van biodiesel. Het gebruik van andere brandstoffen door het wegverkeer is marginaal. Elektriciteit wordt bijna uitsluitend door het spoor gebruikt. Het aandeel elektrische energie bleef constant. In 2016 bedroeg het 1,1 % (2,6 PJ) t.o.v. het totale energiegebruik door transport.

Maatregelen op vele fronten mogelijk

Aangezien het stijgende energiegebruik van de transportsector voornamelijk te wijten is aan een toename van het aantal afgelegde kilometer door het wegverkeer, valt de grootste winst bij het wegverkeer te rapen. Mogelijke maatregelen die leiden tot een lager energiegebruik kunnen onderverdeeld worden in drie categorieën: (1) het aantal en/of de lengte van de verplaatsingen beperken, (2) verplaatsingen uitvoeren met meer milieuvriendelijke vervoerswijzen en (3) het energiegebruik van vervoersmiddelen verminderen.

De overheid moet een sleutelrol spelen om deze maatregelen te stimuleren. Een meer doordachte ruimtelijke planning, waarbij wonen, werken, school, winkels en recreatie meer verweven zijn, kan leiden tot kleinere verplaatsingsafstanden. Via lage-emissiezones en aangepaste circulatieplannen wordt autoverkeer in de stad ontmoedigd. Veilige en comfortabele fiets- en voetpaden en een performant netwerk van openbaar vervoer kunnen ervoor zorgen dat mensen de auto vaker aan de kant laten staan. Subsidies en gunstige fiscale maatregelen kunnen het gebruik van energiezuinige voertuigen aanmoedigen. EU-wetgeving stimuleert de auto-industrie om nieuwe voertuigen energiezuiniger te maken. Maatschappelijke ontwikkelingen zoals e-learning en telewerken hebben ook potentieel om transportstromen te verminderen.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid