Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Landbouw / Gewaserosiegevoeligheid

Gewaserosiegevoeligheid

Deze indicator toont de gevoeligheid van de Vlaamse landbouwpercelen voor erosie. Naast de potentiële erosiegevoeligheid die vooral door de helling van de bodem en de bodemtextuur bepaald wordt, speelt de teelt een cruciale rol. Gewassen en gewasresten beschermen de bodem tegen de erosieve werking van regendruppels en afstromend regenwater. Water krijgt hierdoor meer tijd om te infiltreren, maar ook de bodemstructuur verbetert (o.a. door wortelgroei, bodemorganismen en organisch materiaal) waardoor de weerstand van de bodem voor erosie verhoogt.  

Het effect van gewassen op de erosiegevoeligheid hangt sterk af van de mate waarin ze de bodem bedekken (‘bedekkingsgraad’) en dit kan per gewas sterk verschillen. De erosiegevoeligheid van een gewas wordt hier beschreven aan de hand van de gewasfactor of ‘C-factor’ uit de universele bodemverliesvergelijking (R.U.S.L.E). De C-factor is een dimensieloos getal tussen 0 en 1, waarbij 1 betekent dat er evenveel bodemverlies is als op een braakliggend terrein zonder(gewas)bedekking.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: augustus 2016
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Floor Vandevenne

Areaal erosiegevoelige gewassen daalt bij ‘zeer hoge’ erosiegevoeligheid (paarse percelen)

Een combinatie van de potentiële bodemerosie met de gewaserosiegevoeligheid (d.i. de C-factor) geeft aan hoe de geteelde landbouwgewassen het erosierisico in Vlaanderen beïnvloeden. Met een erosiegevoelig gewas wordt hier een gewas bedoeld met een C-factor hoger dan 0,25. Mais is een voorbeeld van een erosiegevoelig gewas (C=0,45). 

Eén van de meest efficiënte manieren om het verlies van vruchtbare grond te beperken is vermijden om erosiegevoelige gewassen te telen op erosiegevoelige bodems. In 2015 daalde het areaal erosiegevoelige gewassen op percelen met zeer hoge bodemerosiegevoeligheid (paarse percelen) met 10 % ten opzichte van 2014 (figuur 1) en met 12 % t.o.v. 2007.  Dit betekent dat de landbouwer bij de gewaskeuze meer rekening houdt met de erosiegevoeligheid van de bodem. Als gevolg ligt de gemiddelde C-factor op paarse percelen beduidend lager dan op andere percelen (figuur 2). Op deze percelen wordt vaak permanente bedekking zoals grasland met een zeer lage C-factor (C=0,01) toegepast.    

De daling in het areaalerosiegevoelige gewassen (figuur 1) valt samen met een verschuiving naar een lagere gemiddelde gewaserosiegevoeligheid van de gewassen op paarse percelen (figuur 2) in 2015. De grootste verschillen in gewaskeuze vergeleken met 2014, gerangschikt naar afnemende gewaserosiegevoeligheid, waren minder maïs, meer aardappelen, meer wintergranen maar minder grasland. De daling van het areaal erosiegevoelige gewassen is deels het gevolg van de in 2015 nieuw ingevoerde rotatieverplichting voor maïs, groenten in open lucht en ruggenteelten (strengere erosiemaatregelen). Landbouwers mochten maar om de drie jaar één van deze drie gewassen telen. Daardoor kozen veel landbouwers op paarse percelen in 2015 voor een graangewas i.p.v. maïs, groenten in openlucht of ruggenteelten. Bij rode percelen gold deze rotatieverplichting niet. 

Ook verbetering nodig op rode percelen met ‘hoge’ erosiegevoeligheid

Het areaal erosiegevoelige gewassen op rode percelen met hoge bodemerosiegevoeligheid steeg licht met 2 % ten opzichte van 2014 (figuur 1). Hierdoor komt het areaal terug op een vergelijkbaar niveau als in 2007. Ook de gemiddelde C-factor van de gewassen op rode percelen steeg in 2015 met respectievelijk bijna 4 en 3 % t.o.v. 2014 en 2007 (figuur 2). In vergelijking met 2014 werd er bij de erosiegevoelige gewassen op rode percelen in 2015 minder maïs, maar meer aardappelen, suikerbieten,erwten en chicorei geteeld. Bij de niet-erosiegevoelige gewassen, werden er  meer wintergranen maar minder grasland geteeld.

Om erosie en wateroverlast te beperken is het aanbevolen dat de C-factor en het areaal erosiegevoelige gewassen ook op deze rode percelen daalt. In tegenstelling tot paarse percelen zijn maatregelen in het kader van erosiebestrijding pas verplicht op rode percelen vanaf 2014.  De oppervlakte percelen met permanente bedekking daalde bovendien van 49 naar 44 % in 2015 (voor paarse en rode percelen samen). Dit alles resulteerde voor de rode percelen in een toename van het areaal erosiegevoelig gewas in 2015. 

Verplichte maatregelen enkel gericht op deel van het erosiegevoelig areaal

Het Vlaams erosiebeleid is geënt op het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De EU laat het aan de lidstaten om concrete erosiemaatregelen uit te werken. In Vlaanderen moeten landbouwers die rechtstreekse inkomenssteun ontvangen in het kader van het GLB verplicht maatregelen nemen om erosie te voorkomen op percelen met zeer hoge (paars) en hoge (rood) bodemerosiegevoeligheid (zogenaamde 'randvoorwaarden').

Vanaf 2016 gelden er aangepaste randvoorwaarden voor erosie. De rotatieverplichting is geschrapt. Nieuw is dat landbouwers nu de keuze hebben uit één of meerdere pakketten van maatregelen, naargelang de teelt en de erosiegevoeligheid van het perceel (paars of rood). Maatregelen zijn niet uitsluitend gericht om de bron van erosie aan te pakken (bv. groenbedekker, direct inzaaien of niet kerende bodembewerking), ook effectgerichte maatregelen zijn mogelijk (bv. aanleg van bufferstroken). 

Met het flexibelere maatregelenpakket wil de overheid het erosiebeleid praktisch haalbaarder en efficiënter maken, en een beroep doen op de expertise van de landbouwers zelf. De verplichte maatregelen zijn enkel gericht op een deel van het erosiegevoelig areaal in Vlaanderen. Op oranje en gele percelen (medium tot lage erosiegevoeligheid) geldt geen verplichting voor het nemen van erosiebeperkende maatregelen.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid