Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Landbouw / Energiegebruik

Energiegebruik door de landbouw

Deze indicator beschrijft het directe energiegebruik door de landbouwsector. Dit is de energie die nodig is voor de verwarming, ventilatie en verlichting van serres en stallen en als de brandstof voor trekkers en landbouwmachines. Indirecte energie nodig voor de aanmaak van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of krachtvoer is niet inbegrepen in deze indicator.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: februari 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Floor Vandevenne

Energiegebruik schommelt vanaf 2007

In 2016 gebruikte de landbouwsector 28,9 PJ energie (figuur 1), of 1,8 % van het bruto binnenlands energiegebruik in Vlaanderen. In vergelijking met andere sectoren zoals industrie (42,7 %), energie (20,6 %) en transport (14,6 %) is dit aandeel beperkt.

Verwarming en elektriciteit voor gewasbelichting in de glastuinbouw verklaart het grootste deel van het energiegebruik (40 % in 2016). Veeteelt (intensieve veeteelt + graasdierhouderij) neemt bijna 40 % van het energiegebruik in beslag, o.a. voor de stalverwarming, tractoren en gebruik melkmachines- en robots. Akker- en tuinbouw (excl. glastuinbouw) verklaart een vijfde van het energiegebruik. Off-road activiteiten in de bosbouw en groenvoorziening hebben een beperkt  aandeel ( <5 %) in vergelijking met de rest van de landbouwsector.

De knik in het energiegebruik tussen 2006 en 2007 is o.a. te wijten aan een wijziging in de methodologie en databron (voor details zie Energiebalans Vlaanderen, 1990-2016). 

Invloed koude winters

Het weer beïnvloedt het energiegebruik, in het bijzonder de energie nodig voor de verwarming en ventilatie van serres en stallen. Het aantal graaddagen (figuur 1) is een maat voor de verwarmingsbehoefte. Zo kan het hoger energiegebruik in 2016 (+8,6% t.o.v. 2015) deels verklaard worden door een hoger aantal graaddagen in 2016.

Naast de buitentemperatuur dragen ook andere (combinaties van) factoren bij tot het energiegebruik (o.a. grootte van de veestapel, mestverwerking, energie-intensiteit, mate van automatisatie,…). Ook de netto energiebesparing door verhoogde inzet van warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK) speelt een rol in de evolutie van het energiegebruik van de landbouwsector.

Verschuiving petroleum naar aardgas

Sinds 2007 is een duidelijke omschakeling zichtbaar in het energiegebruik: petroleumproducten zoals benzine, zware stookolie en LPG worden meer en meer vervangen door aardgas (figuur 2; aandeel aardgas van 57% in 2016. Aardgas wordt vooral gebruikt in de glastuinbouw voor serreverwarming. Terwijl het aandeel van zware stookolie in 2007 nog meer dan één vijfde van de energiemix bedroeg verdween het in 2016 bijna volledig van het toneel. Ook het percentage kolen slonk van 5 % in 2007 naar 1,4 % in 2016. Diesel- of gasolie verklaarde in 2016 nog ruim een derde van het energiegebruik (o.a. als brandstof voor trekkers).

Landbouw is netto-elektriciteitsproducent

Onder impuls van stijgende energieprijzen (2006) werd in de glastuinbouw een oplossing gezocht in de bouw van WKK’s. Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) heeft de omschakeling naar WKK’s aangemoedigd via investeringssteun. Een WKK voorziet de serres van warmte en elektriciteit op een manier waarbij brandstof bespaard wordt ten opzichte van gescheiden opwekking van warmte en elektriciteit. Omdat er in de glastuinbouw vooral warmte nodig is wordt een groot deel van de geproduceerde elektriciteit aan het net geleverd. Als gevolg is het finaal elektriciteitsverbruik van de landbouw negatief (figuur 2) en is de sector vanaf 2010 een netto elektriciteitsproducent.  De toename van WKK’s in de glastuinbouw draagt ook bij tot de dominantie van aardgas in de energiemix (figuur 2), gezien dit de belangrijkste brandstofsoort is voor WKK’s in Vlaanderen.

Aandeel biomassa stagneert

Sinds 2007 doet biomassa als hernieuwbare energiebron zijn intrede in de landbouw, vnl. in de glastuinbouw. Het aandeel van biomassa bedroeg 12 % in 2016 en blijft sinds 2013 stabiel. Cruciaal bij het gebruik van biomassa als hernieuwbare energiebron is dat het netto een reductie van CO2 met zich meebrengt en dit over de volledige levenscyclus (van productie tot consumptie). 

In 2014 bestaat 4,7 % van de warmte in Vlaanderen uit ‘groene warmte’. Bijkomende inspanningen om de 13 % hernieuwbare energie te halen tegen 2020 zijn dus nodig. De landbouwsector kan via energiebesparing, verhoging van de energie-efficiëntie en het aandeel hernieuwbare energie (biomassa, maar ook wind- of zonne-energie) de directe emissie van broeikasgassen verder doen dalen en de afhankelijkheid van externe energie verlagen.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid