Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Industrie / Eco-efficiëntie industrie

Eco-efficiëntie van de industrie

De indicator ‘Eco-efficiëntie van de industrie' geeft weer in welke mate de milieudruk gelijke tred houdt met het activiteitenniveau. Er wordt gesproken van ontkoppeling  wanneer de groeisnelheid van een drukindicator (bv. emissie van broeikasgassen) lager is dan de groeisnelheid van de activiteitenindicator (bv. bruto toegevoegde waarde). De ontkoppeling is absoluut als de drukindicator stagneert of daalt bij een groei van het activiteitsniveau. De ontkoppeling is relatief als de groei van de drukindicator positief is maar minder groot dan die van de activiteitenindicator. Enkel absolute ontkoppeling leidt tot winst voor het milieu.

Evaluatie:
Laatst bijgewerkt: november 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Sander Devriendt

Belangrijke sector met grote milieudruk

De sector industrie is goed voor een kwart van de Vlaamse bruto toegevoegde waarde en net geen vijfde van de Vlaamse tewerkstelling. Tussen 2000 en 2016 steeg de bruto toegevoegde waarde van de industrie met 22,7 % terwijl de tewerkstelling (werknemers en zelfstandigen) daalde met 15,1 %. In 2009 kende de industriële sector een verminderde economische activiteit door de financieel-economische crisis. Door de lagere economische activiteit daalde de milieudruk van bijna alle parameters in 2009 om daarna terug te stijgen, hier wordt verder geen specifieke aandacht aan besteed. De Vlaamse industrie is en blijft economisch gezien een belangrijke sector, door de aard van de activiteiten heeft de industrie echter een grote milieudruk.

Absolute ontkoppeling broeikasgasemissie door ETS

De industrie neemt 42,6 % van het totale Vlaamse energiegebruik voor haar rekening in 2016. Het totale energiegebruik kan worden opgesplitst in een energetisch en niet-energetisch deel. Het energetische energiegebruik, 58,6 % van het totale energiegebruik in de industrie, bleef tot 2006 net onder het niveau van 2000. Tegen 2016 lag het energetische energiegebruik 4,7 % lager over de beschouwde periode. Het energetische energiegebruik daalde terwijl de economische activiteit bleef stijgen, hier is sprake van absolute ontkoppeling. Dit wijst op een hogere energie-efficiëntie bij de verschillende industriële stook-, verwarmings- en aandrijvingsprocessen. Voor het genereren van een eenheid bruto toegevoegde waarde was er in 2016 22,3 % minder energetische energie nodig dan in 2000.
Het niet-energetische energiegebruik, waarbij energiedragers worden ingezet als grondstof voor diverse processen, komt bijna volledig op naam van de chemische sector, waar nafta (een gedestilleerd mengsel van koolwaterstoffen uit ruwe aardolie) 59,1 % van het totale niet-energetische energiegebruik uitmaakt. Het niet-energetische energiegebruik steeg tussen 2000 en 2016 met 14,6 % terwijl de bruto toegevoegde waarde in de chemische sector met meer dan een vijfde gestegen is, hier kan gesproken worden van een relatieve ontkoppeling.

27,7 % van de antropogene uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen is afkomstig van de industrie. Tot 2004 loopt de evolutie van de uitstoot van broeikasgassen in de sector industrie gelijk met het energetische energiegebruik en de economische activiteit. Vanaf 2005, bij de start van Europese emissiehandelssysteem (ETS) (zie Toegewezen versus benodigde emissierechten voor bedrijven onder Europees emissiehandelssysteem), is er een absolute ontkoppeling tussen de economische activiteit en de uitstoot van broeikasgassen. Tussen 2000 en 2016 nam de uitstoot van broeikasgassen af met ruim 18 %. De broeikasgassen, methaan (CH4) en distikstofoxide (N2O), tonen een zeer sterke daling van respectievelijk 63,7 % en 72 %. Het methaan komt hoofdzakelijk vrij bij het storten van afval, distikstofoxide bij de caprolactam- en salpeterzuurproductie in de chemische sector. In 2016 wordt er 32,3 % minder broeikasgassen uitgestoten per eenheid bruto toegevoegde waarde dan in 2000.

Absolute ontkoppeling van emissies naar lucht, maar uitstoot stagneert

Bij de andere emissies naar de lucht kan er gesproken worden van een absolute ontkoppeling. Emissies van ozonafbrekende stoffen en NMVOS tonen een continu daling. Ten opzichte van 2000 daalden deze emissies respectievelijk met 84,6 % en 62,9 %. De industrie stoot ongeveer de helft van de emissies van NMVOS uit en een derde van de emissies van ozonafbrekende stoffen. De emissies van verzurende stoffen halveerde bijna tussen 2000 en 2009 en bleef daarna min of meer op hetzelfde niveau. De emissie van zware metalen kennen enigszins een ander verloop, in de periode 2000 tot 2004 schommelen de waarden zeer sterk, de emissie van zware metalen is zelfs hoger in 2004 dan in 2000. Tussen 2005 en 2009 is er een sterke afname van de emissie van zware metalen en ligt de waarde 74 % lager dan 2000. In de daarop volgende jaren steeg de emissie van zware metalen opnieuw om daarna te blijven schommelen rond dezelfde waarde. In 2016 lag de emissie van zware metalen 64,6 % lager dan in 2000.  Met uitzondering van koper en zink is de industrie voor elk metaal verantwoordelijk voor meer dan de helft van de uitstoot in Vlaanderen. De emissie van fijn stof PM2,5 kent, na te pieken in 2002, een daling waarna de ontkoppeling begint. Ten opzichte van 2000 zijn de emissies van fijn stof 34,2 % gedaald, ook hier stagneren de waarden in de laatste jaren.

Ook water en afval in de goede richting

Het waterverbruik (exclusief koelwater) loopt tot 2006 vrij gelijk met de economische activiteit, hierna volgt een daling van het watergebruik. Vanaf 2008 ligt het watergebruik lager dan in 2000. Wat de CZV-lozing in afvalwater betreft, kan duidelijk worden gesproken van een absolute ontkoppeling, sinds 2000 daalde de CZV-lozing met ruim 51,8 %. Voor afval is de tijdsreeks beperkter, na de piek in 2005 daalde de hoeveelheid primair afval en vanaf 2008 blijft deze hoeveelheid onder de waarde van 2004.

Verschillende maatregelen stimuleren ontkoppeling in de sector industrie

In de industrie kan er gesproken worden van een absolute ontkoppeling voor de meeste parameters die worden opgenomen. Heel wat parameters kenden een sterke daling in het vorige decennium, waarna ze in veel gevallen lijken te stagneren. De dalende milieudruk is het gevolg van verschillende maatregelen zoals het invoeren van het Europese emissiehandelssysteem, het inzetten van minder milieubelastende brandstoffen, gebruik van solventarme oplosmiddelen, strengere productnormeringen, end-of-pipe technieken, procesmaatregelen, organisatorische en structurele bedrijfsaanpassingen, productoptimalisatie, inzetten van katalysatoren, energiebesparende maatregelen, inzetten van energie uit duurzame bronnen, WKK’s en good housekeeping. Tal van deze maatregelen werden beleidsmatig ingevoerd via verstrenging van emissiegrenswaarden, lozingsnormen en milieuheffingen voor bepaalde installaties of activiteiten, of door Milieubeleidsovereenkomsten met verschillende industriële deelsectoren.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid