Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Industrie / Energiegebruik per industriële deelsector

Totaal industrieel energiegebruik per industriële deelsector

Deze indicator toont de evolutie van het totale energiegebruik van de industrie sinds 1990. Dit bestaat uit twee componenten: het energetische energiegebruik verwijst naar het gebruik van steenkool, aardgas, elektriciteit, enz. voor toepassingen zoals warmte en aandrijving. Het niet-energetische energiegebruik slaat op het gebruik van energiedragers als grondstof, bv. het gebruik van aardgas voor de productie van ammoniak, nafta als basis voor kunststoffen, ...

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: november 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Hugo Van Hooste

Doelstellingen

Vermits het energiegebruik van de industrie een van de belangrijkste oorzaken van broeikasgasemissies vormt, zijn de doelstellingen i.v.m. energiegebruik gekoppeld aan deze van broeikasgasemissies.

Op 4 april 2014 keurde de Vlaamse Regering de energiebeleidsovereenkomsten (EBO’s) voor de verankering van blijvende energie-efficiëntie in de energie-intensieve bedrijven goed. Dit in navolging van vroegere energie-instrumenten zoals REG-premies, energiescan, ecologiepremies, audit- en benchmarkingconvenanten, … De energiebeleidsovereenkomsten lopen over de periode 2015-2020. Op 17 november 2017 besliste de Vlaamse Regering deze te verlengen met 2 jaar, eindigend op 31 december 2022. Deze energiebeleidsovereenkomsten moeten ervoor zorgen dat de energie-efficiëntie van de Vlaamse bedrijven blijft verbeteren zonder de groeikansen te ondermijnen. Tevens dienen zij de Vlaamse Regering te helpen om haar klimaatdoelstellingen te realiseren. 

Totaal industrieel energiegebruik daalt niet

De industrie heeft met 44 % in 2017 het grootste aandeel in het Vlaamse energiegebruik. Vooral door een sterke verhoging van de activiteit in het begin van de jaren 90 steeg het industrieel energiegebruik fors (+ 65 % tussen 1990 en 2000). Sinds 2000 kent het industrieel energiegebruik een schommelend verloop afhankelijk van de industriële activiteit, maar blijft grosso modo op hetzelfde niveau.

In 2009 daalde het totale industriële energiegebruik met 12 % ten opzichte van 2008 als gevolg van de verminderde activiteit door de financieel-economische crisis (een daling van de jaarlijkse groei met 4,8 %; zie indicator bruto toegevoegde waarde van de industrie). In 2010 en 2011 veerde de economie weer op, met een stijging van het totale energiegebruik in vrijwel alle industriële deelsectoren tot gevolg. Voor de volledige industrie bedroeg de verhoging van het totale energiegebruik 15 % tussen 2009 en 2011 bij een stijging van de bruto toegevoegde waarde met 2,2 % in 2010 en 4,8 % in 2011.

Het totale industriële energiegebruik daalde tussen 2011 en 2014 licht (4 %). Na 2014 stijgt het energiegebruik, mede door een stabiele jaarlijkse groei van 2 %. In 2017 bedraagt het industrieel energiegebruik 692,6 PJ (6 % hoger dan in 2014), de hoogste waarde ooit opgetekend.

De chemie is veruit de deelsector met het hoogste energiegebruik (in 2017 een aandeel van ruim 62 % van het totale industriële energiegebruik), gevolgd door de deelsectoren metaal (17 %), overige industrie (7 %) en voeding (6 %).

Van het totale energiegebruik in de chemiesector is er bijna twee derden (63 % in 2017) niet-energetisch. Dit niet-energetisch energiegebruik zet energiedragers in als grondstof voor diverse processen (bv. aardgas voor de aanmaak van ammoniak in de kunstmestproductie, aardolie als basis voor de productie van verschillende kunststoffen en plastics zoals polyetheen, polypropyleen, PVC, teflon, nylon, … ). Daarnaast is er, verspreid over alle industriële deelsectoren, ook nog niet-energetisch energiegebruik door de inzet van diverse oliën als smeermiddelen.

Het totale niet-energetisch energiegebruik in de industrie ligt in 2017 ruim 3,5 keer hoger  dan in 1990, maar die forse stijging situeert zich, net zoals bij het totale energiegebruik, vooral tussen 1990 en 2000. Ten opzichte van 2000 ligt het niet-energetisch energiegebruik in 2017 nog bijna 20 % hoger en bedraagt 292 PJ, de hoogste waarde ooit genoteerd. Dit niet-energetisch energiegebruik vertegenwoordigt ruim 42 % van het totale industriële energiegebruik in 2017. Ter vergelijking: in 1990 was dit maar 21 %, in 1995 al ruim 36 %.

Het energetisch industrieel energiegebruik daarentegen is met 4 % gereduceerd tussen 2000 en 2017, terwijl de industriële activiteit (bruto toegevoegde waarde) met bijna 20 % is toegenomen tussen 2003 en 2017 (geen gegevens van 2000 beschikbaar). Dit wijst alvast op een duidelijke stijging van de energie-efficiëntie bij de verschillende industriële stook-, verwarmings- en aandrijvingsprocessen in de diverse industriële deelsectoren.

Energiebeleidsovereenkomsten 2015-2022

De aandacht van het beleid gaat vooral naar de energie-intensieve industrie, dit zijn bedrijven met een primair industrieel eindverbruik van minstens 0,1 PJ per jaar. Dit betekent 450 à 500 bedrijven, goed voor ongeveer 90 % van het totaal industrieel energiegebruik in Vlaanderen.

Tot de doelgroep van de nieuwe energiebeleidsovereenkomsten (EBO’s) 2015-2022 behoren zowel de bedrijven die onderhevig zijn aan het Europees emissiehandelssysteem (zogenaamde ETS bedrijven), als deze die dat niet zijn (niet-ETS bedrijven). Er wordt, omwille van het verschillend Europees kader, gekozen voor twee energiebeleidsovereenkomsten, één voor ETS bedrijven, en één voor niet-ETS bedrijven. In 2017 hebben 15 % van de bedrijven in de doelgroep nog geen energiebeleidsovereenkomst afgesloten.

Bij de ETS bedrijven zal de kost van de energie en de prijs van een ton CO2 bepalen of er al dan niet geïnvesteerd wordt in energie-efficiëntie verbeterende maatregelen, ofwel gekozen wordt om emissierechten aan te kopen. Een energiebeleidsovereenkomst met tegenprestaties moet zorgen voor een keuze in investering in energie-efficiëntie verbetering in het eigen bedrijf. Op die manier zal Vlaanderen op dit vlak op een vooraanstaand niveau kunnen blijven.

De energiebeleidsovereenkomst met de niet-ETS bedrijven moet de Vlaamse Regering tevens verder helpen haar klimaatdoelstellingen te realiseren. 

Volgens de resultaten van de eerste energieplannen is, in 2017, door het uitvoeren van energiebesparende maatregelen door de EBO-bedrijven een primaire energetische energiebesparing van 17,4 PJ gerealiseerd. Dit betekent een reductie van 3,6 % t.o.v. het referentiejaar 2014.

Verplichte energieaudit voor grote ondernemingen

De Europese Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie verplicht de lidstaten om grote ondernemingen (niet KMO’s) een energieaudit te laten ondergaan ten laatste voor 5 december 2015, en dit om de vier jaar te herhalen. Vlaanderen heeft via VLAREM deze verplichting in 2013 omgezet in de Vlaamse regelgeving.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid