Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Industrie / Energetisch energiegebruik per energiedrager

Industriëel energetisch energiegebruik per energiedrager

In deze indicator wordt getoond hoe het industrieel energetisch energiegebruik kan toegewezen worden aan de diverse energiedragers (vaste brandstoffen, gassen, elektriciteit, petroleumproducten, hernieuwbare brandstoffen …). Het energetisch energiegebruik slaat enkel op toepassingen zoals verwarming, stook- en aandrijvingsprocessen. Het niet-energetisch energiegebruik (inzet van energiedragers als grondstof) komt in deze indicator niet aan bod.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: augustus 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Hugo Van Hooste

Doelstelling

Naast de energiebeleidsovereenkomsten van de Vlaamse Regering (zie indicator ‘totaal industrieel energiegebruik per industriële deelsector’), die ervoor moeten zorgen dat de energie-efficiëntie van de Vlaamse bedrijven verbetert, is er nog een specifieke doelstelling omtrent hernieuwbare energie.

De Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie van 2009 (2009/28/EG) verplicht België om het aandeel hernieuwbare energie in het bruto finaal energiegebruik op te trekken naar 13 % in 2020. Deze bindende doelstelling werd vertaald in Vlaamse regelgeving in het Energiebesluit van 19 november 2010. Om deze doelstelling te toetsen wordt rekening gehouden met de inlandse productie van zowel groene stroom als groene warmte & koeling, en met het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor transportdoeleinden (zowel biobrandstoffen in verbrandingsmotoren als groene stroom in elektrische voertuigen). Er is geen specifieke doelstelling voor de industrie maar deze sector kan uiteraard zijn steentje bijdragen in het behalen van deze doelstelling.

Evolutie van het energetisch energiegebruik

Het energetisch energiegebruik steeg tussen 1990 en 2016 met 25 %, maar het ligt in 2016 wel 5 % lager dan in 2000. In 2009 is het totaal industrieel energetisch energiegebruik plots met 11 % gedaald t.o.v. 2008. De hoofdreden hiervoor is de verminderde activiteit door de financieel-economische crisis (een daling van de jaarlijkse groei met 4,8 %; zie ook de indicator ‘bruto-toegevoegde waarde van de industrie’). In 2010 en 2011 trok de economische activiteit opnieuw aan (stijging van de jaarlijkse groei met 2,0 % in 2010 en met 4,8 % in 2011) met een verhoging van het energetisch energiegebruik tot gevolg (+ 11 % in 2011 t.o.v. 2009). Vooral de deelsectoren chemie en metaal hebben de grootste aandelen in het energetisch energiegebruik en hier is ook de stijging het grootst. Sinds 2011 kent het industrieel energetisch energiegebruik een licht schommelend verloop maar blijft grosso modo status quo (+ 1 % in 2016 t.o.v. 2011). 

Over de periode 2000 – 2016 is het industrieel energetisch energiegebruik met 5 % gereduceerd, terwijl de industriële activiteit (bruto toegevoegde waarde) met 11 % is toegenomen tussen de beide jaren. Dit wijst op een duidelijke hogere energie-efficiëntie bij de verschillende industriële stook-, verwarmings- en aandrijvingsprocessen in de diverse industriële deelsectoren.

Gebruik van petroleumproducten sterk afgenomen, kolen- en cokesgebruik status quo

De evolutie van het industrieel energetisch gebruik van vaste brandstoffen (kolen en cokes) kent een schommelend verloop maar ligt in 2016 op hetzelfde niveau als in 1990. Het laagste verbruik van deze brandstoffen werd genoteerd in 2009, het dieptepunt van de financieel-economische crisis, maar is in 2016 opnieuw met 30 % gestegen t.o.v. 2009. Kolen en cokes worden hoofdzakelijk (voor meer dan 90 %) gebruikt in de ijzer- en staalnijverheid. Kolen en cokes vormen nog steeds, samen met elektriciteit, de belangrijkste brandstoffen in het industrieel energetisch energiegebruik (een aandeel van bijna 24 % in 2016). 

De inzet van petroleumproducten (met als voornaamste zware stookolie, gas- en dieselolie) voor industriële energieopwekking is over de gehele periode 1990-2016 sterk afgenomen (- 76 % in 2016 t.o.v. 1990), vooral door een drastische reductie van het gebruik van zware stookolie (- 95 % in 2016 t.o.v. 1990).  Deze petroleumproducten hebben amper nog een aandeel van bijna 4 % in het industrieel energetisch energiegebruik (in 1990 nog goed voor 19 %).

Het gebruik van gas (voornamelijk aardgas) in 2016 is 24 % hoger dan in 1990 maar ligt wel 16 % lager dan in 2000. De deelsectoren chemie en voeding zijn hier de grootste gebruikers (aandelen van 36 % en 24 % in 2016). Een zelfde evolutie in het elektriciteitsgebruik: in 2016 een verhoging t.o.v. 1990 met 33 % maar sinds 2000 relatief constant gebruik (3 % minder in 2016 t.o.v. 2000). Wederom is de chemie, samen met de deelsector metaal de hoofdgebruiker (aandelen van respectievelijk 38 % en 23 % in 2016).  Gas en elektriciteit hebben, samen met kolen en cokes, de belangrijkste aandelen in het industrieel energetisch energiegebruik (gas 21 % en elektriciteit bijna 24 % in 2016).

Het gebruik van andere brandstoffen, voornamelijk restbrandstoffen in de chemie, is bijna verviervoudigd over de periode 1990 tot 2000. Dit is o.a. het gevolg van de ingebruikname van nieuwe kraakinstallaties in het begin van de jaren negentig, waarin grote hoeveelheden restbrandstoffen worden gebruikt. Sedert 2000 blijft het gebruik van andere brandstoffen ongeveer op hetzelfde peil, in het industrieel energetisch energiegebruik vertegenwoordigt het een belangrijk aandeel (19 % in 2016).

Het verbruik van aangekochte warmte is bijna vertienvoudigd tussen 1990 en 2000, voornamelijk door een toename van industriële warmtekrachtcentrales waarvan bedrijven warmte aankopen. Tussen 2000 en 2016 is het verbruik van aangekochte warmte nog gestegen met 11 % en heeft in 2016 een aandeel van 6 % in het industrieel energetisch energiegebruik.

In 2016 leverden hernieuwbare brandstoffen 10,2 PJ, d.i. 2,6 % van het totaal energetisch energiegebruik van de industrie, t.o.v. slechts 0,15 PJ in 1990 en 1,0 PJ in 2000. M.a.w. de absolute waarde van gebruik van hernieuwbare brandstoffen is in 2016 bijna zeventig maal zo groot dan in 1990 en vertienvoudigd t.o.v. 2000, maar blijft een minimaal aandeel in het totaal energetisch energiegebruik van de industrie.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid