Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Energieproductie / Rendement stroom- en warmteproductie

Energiebalans en rendement centrale stroom- en warmteproductie

Binnen de energiesector wordt elektriciteit geproduceerd op basis van verschillende energiebronnen en met verschillende types centrales. Deze indicator brengt de energiebalans (input versus output) in beeld van de centrale productie van stroom - elektriciteit en warmte - in Vlaanderen.

Daarnaast wordt ook de evolutie van het netto rendement opgevolgd. Onder netto rendement verstaan we de verhouding (uitgedrukt in %) tussen enerzijds elektriciteit en nuttige warmte die wordt aangeboden bij de eindgebruikers, en anderzijds de energetische input van de elektriciteitscentrales. 

De focus ligt hier op stroom- en warmteproductie door de elektriciteitsbedrijven binnen de energiesector. Decentrale productie door zogenaamde 'zelfproducenten' in de andere sectoren is hier niet beschouwd. Hun activiteiten en energiegebruiken zijn mee vervat in de energetische indicatoren van de andere sectoren (huishoudens, handel & diensten, industrie en landbouw).

Stroom- en warmteproductie op basis van zon, wind en water worden niet opgenomen in deze indicator. Voor deze hernieuwbare energiebronnen wordt in de Vlaamse energiestatistieken gerekend met een theoretisch rendement van 100 %.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: december 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Sander Devriendt

Rendement verschilt per type centrale

Het elektrisch rendement – de hoeveelheid energie vervat in de energiegrondstof omgezet in elektrische energie – van een klassiek thermische elektriciteitscentrale (fossiele brandstoffen) of kerncentrale (splijtstoffen) bedraagt ongeveer 33 à 40 %. Stoom- en gascentrales of STEG-centrales halen door de inzet van 2 turbines een hoger elektrisch rendement van 50 à 60 %. Maar bij deze centrales gaat er ook heel wat restwarmte verloren, bv. via koeltorens (zie energiegebruik en verliezen in de energiesector).

De eerste figuur brengt voor Vlaanderen de energiebalans van centrale stroom- en warmteproductie in beeld. Onder de X-as wordt de input (biomassa, gas, nucleaire warmte …) van die centrales weergegeven, boven de X-as de output (elektriciteit en warmte). Het verschil tussen output en input komt overeen met de transformatieverliezen, de energie die verloren gaat. De transformatieverliezen zijn beduidend, de input is beduidend groter dan de output.

In absolute waarden kenden de transformatieverliezen in de conventionele thermische centrales de laatste jaren een daling (zie energiegebruik en -verliezen in de energiesector). Dit is vooral te wijten aan de verminderde inzet van centrales op zowel fossiele brandstoffen (kolen en aardgas). Het gebruik van kolen kwam onder druk door de verstrengde milieuwetgeving die zorgde voor een shift naar aardgascentrales en door de opkomst van biomassa (zowel bijstook als zuivere biomassacentrales) bij het streven naar een verhoogd aandeel groene stroom (zie tweede figuur). Doordat de laatste kolencentrale voor de productie van elektriciteit van Langerlo in 2017 definitief werd stilgelegd daalde de input van kolen in elektriciteitscentrales naar 0. Na eerst een groei met meer dan een factor 4 tussen 1990 en 2009-2010, halveerde de inzet van aardgascentrales tegen 2014 onder druk van een dalende rentabiliteit, om daarna terug te stijgen. De reden hiervoor is dat ze onderbenut worden omdat ze gemakkelijk aan- en afgekoppeld kunnen worden naargelang de stroomvraag, en elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en kernenergie voorrang heeft op het elektriciteitsnet. Het gebruik van biomassa in thermische centrales kenden sinds 2000 een enorme stijging, zo steeg het gebruik van 3,75 PJ tot 27,27 in 2017. In 2017 bestond dit voor 18,02 PJ uit hout (2,70 PJ houtafval en 15,33 PJ houtpellets) en 8,85 PJ uit de verbranding van hernieuwbare deel van huishoudelijk en industrieel afval. De overige 0,38 PJ uit biogas, bio-olie, slib en stortgas.

De inzet van nucleaire centrales – gemeten naar de gebruikte hoeveelheid kernbrandstof – bleef vrij constant tussen 2000 en 2011, maar daalde sindsdien beduidend door onvoorziene en tijdelijke sluitingen van de kernreactoren van Doel vanaf 2012 (zie stroomproductie in kerncentrales). Het rendement van kerncentrales is doorheen de tijd vrij stabiel en schommelt rond de 33 %.

Bij warmtekrachtkoppeling of WKK wordt de restwarmte benut voor industriële of andere toepassingen, waardoor het energetisch rendement kan oplopen tot 70 à 80 %. WKK laat bovendien decentrale productie toe, wat de transportverliezen beperkt. Slechts een deel van de WKK's in gebruik wordt ingedeeld bij de energiesector, dit zijn de WKK's die worden uitgebaat in samenwerking met een elektriciteitsproducent. Na een piek in 2010 verminderde de inzet van WKK. Een van de reden is de verschuiving van het WKK-vermogen dat wordt geëxploiteerd samen met een elektriciteitsproducent naar meer exploitaties in eigen beheer (met toewijzing energiegebruiken aan andere sector tot gevolg). Voor de bespreking van de inzet van WKK's over alle sectoren heen verwijzen we naar een indicator over warmte-krachtkoppeling.

Slechts twee vijfden omgezet in nuttige elektriciteit en warmte voor eindgebruikers

Naast transformatieverliezen en eigen energiegebruik in de elektriciteitscentrales gaat er bij de producenten van stroom en warmte ook nog energie verloren tijdens het transport en de distributie tot bij de eindgebruikers.

Het nettorendement van de productie, het transport en de distributie van elektriciteit en warmte binnen de energiesector in Vlaanderen houdt rekening met al deze verliesposten. De donkerblauwe lijn in de eerste figuur geeft het verloop van dat nettorendement weer. Dit rendement was licht gestegen van 31,6 % in 1990 tot 40,5 % in 2010. Hierna schommelde het rendement op en neer, dit mede doordat de kerncentrales niet steeds operationeel waren en kerncentrales hebben een lager rendement dan de conventionele centrales.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid