Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Energieproductie / Verzurende emissies

Emissie van verzurende stoffen door de energiesector

Deze indicator brengt de emissie van verzurende stoffen (SO2, NOx en NH3) door de energiesector in beeld, en dit zowel per deelsector als per stof. Aan de hand van het zuurvormend vermogen van elk van die stoffen worden de emissies omgerekend naar zuurequivalenten (Zeq) en kunnen de emissies van de verschillende stoffen gesommeerd worden. De wegingsfactoren waarmee 1 ton van een verzurende stof wordt omgezet in miljoen Zeq zijn 0,03125 voor SO2, 0,02174 voor NOx en 0,05882 voor NH3.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: oktober 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Hugo Van Hooste

Doelstellingen

Er zijn geen specifieke doelstellingen voor de emissie van de verzurende stoffen voor de energiesector, wel voor de totale Vlaamse emissie van deze polluenten.

In het laatst opgemaakte Vlaamse milieubeleidsplan MINA-plan 4 (2011-2015) zijn voor de verzurende polluenten doelstellingen opgenomen tegen 2015. De emissiedoelstellingen zijn 49,4 kton voor SO2, 45 kton voor NH3, en 110,4 kton voor NOx . 

De amendering van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL) (27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor de stationaire bronnen (waaronder de energiesector), voor de niet-stationaire bronnen dient deze verdeling nog te gebeuren. Voor Vlaanderen bedragen de plafonds voor stationaire bronnen 56,9 kton voor NOx, 41,2 kton voor NH3 en 44,5 kton voor SO2 . De Belgische plafonds voor niet-stationaire bronnen bedragen 68 kton voor NOx, 1 kton voor NH3 en 1 kton voor SO2 .

Ter vervanging van de NEC-richtlijn werd op 14/12/2016 een nieuwe Europese richtlijn gepubliceerd, de 'Richtlijn 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen'. Deze richtlijn dient door de lidstaten uiterlijk tegen 1 juli 2018 in de regelgeving opgenomen. Een belangrijk verschil met de vroegere NEC-richtlijn is dat de doelstellingen niet meer als een absoluut plafond zijn uitgedrukt, maar als een procentuele emissiereductie t.o.v. 2005, en dit voor de periode 2020-2029 en voor de periode vanaf 2030.

In uitvoering van deze richtlijn heeft de Vlaamse Regering op 20 juli 2018 een ontwerp van Luchtbeleidsplan goedgekeurd. Volgens dit Luchtbeleidsplan moeten de Vlaamse emissies van NOx, SO2 en NH3 tegen 2020 met respectievelijk 42 %, 55 % en 7 % verminderd worden t.o.v. het jaar 2005. Dit vertaalt zich naar absolute emissieplafonds van 100,3 kton NOx,  43,9 kton SO2 en 40,5 kton NH3 in 2020. De reductiepercentages en absolute emissieplafonds tegen 2030 bedragen respectievelijk 59 % en 71,8 kton voor NOx,  66 % en 32,5 kton voor SO2, 12 % en 38,3 kton voor NH3.

De twee belangrijkste activiteiten van de energiesector zijn de elektriciteitsproductie en de petroleumraffinage. Voor deze twee deelsectoren zijn er wel specifieke milieubeleidsovereenkomsten (MBO's) en/of normeringen op emissies (zie verder).  

Fors gedaalde emissies door diverse reductiemaatregelen

De totale emissie van de verzurende stoffen door de energiesector is in de periode 1990-2014 fors gedaald en bedroeg in 2014 nog 501 miljoen Zeq, dit is 10 % van de emissie in 1990, en 20 % van de emissie in 2000. Deze forse emissievermindering komt vooral door emissiereductiemaatregelen zoals omschakeling naar laag zwavelhoudende brandstoffen en rendementsverhogende technieken, dit vooral onder invloed van normeringen en milieubeleidsovereenkomsten (MBO’s).

In 2015 en 2016 wordt de dalende trend niet verder gezet maar is er een stijging van de emissies met respectievelijk 16 % en 9 % t.o.v. 2014. Dit is o.a. te verklaren door een toename van de netto elektriciteitsproductie door klassieke centrales en door een hogere productie in de petroleumraffinaderijen (zie verder).

Het aandeel van de energiesector in de totale Vlaamse verzurende emissie is tevens fors gedaald: 27 % in 1990, 23 % in 2000 en nog slechts 10 % in 2016.

De productie van elektriciteit & warmte was tot midden jaren 2000 veruit de grootste bron van verzurende emissies binnen de energiesector. Maar doordat de emissies van deze deelsector lange tijd sneller daalden dan die van de andere deelsectoren, is het aandeel van de elektriciteit- & warmteproductie gaandeweg gedaald van 68 % begin jaren 90 naar 28 % in 2016. Tegelijkertijd nam het aandeel van de andere grote bron, de petroleumraffinaderijen, toe van 30 % in 1990 naar 72 % in 2016.

SO2 heeft het grootste aandeel in de verzurende uitstoot van de energiesector (in de jaren 90 een aandeel van 74 %, de laatste jaren tussen 55 % en 61 %). NOx staat in voor de overige verzurende emissies (39 % à 45 %). De NH3-emissies door de energiesector zijn zeer beperkt (< 1 %).

De petroleumraffinaderijen hebben inmiddels het grootste aandeel in de SO2-uitstoot (92 % in 2016), de meerderheid van de NOx-emissies is dan weer afkomstig van de elektriciteitsproductie (58 % in 2016).

Hieronder wordt meer specifiek ingegaan op de twee belangrijkste activiteiten binnen de energiesector, nl. de elektriciteitsproductie (inclusief de stroomproductie uit WKK’s en uit afvalverbranding) en de petroleumraffinage. 

Elektriciteitsproductie

De emissiereducties in de elektriciteitssector in de periode 1995-2000 zijn o.a. een gevolg van het in werking treden van een rookgasontzwavelings- en ontstikkingsinstallatie (DeSOx-DeNOx) in de kolencentrale van Langerlo. De sterke daling vanaf 2007 bij de elektriciteitscentrales is vooral het gevolg van de rookgasontzwaveling in de elektriciteitscentrale van Ruien.

De milieubeleidsovereenkomst (MBO) 2005-2009 met de elektriciteitssector voorzag vanaf 2008 in strengere emissieplafonds: voor SO2 verstrengde het plafond van 781 miljoen Zeq (25 kton) naar 234 miljoen Zeq (7,5 kton), voor NOx van 543 miljoen Zeq (25 kton) naar 304 miljoen Zeq (14 kton). Vanaf 2008 werden beide plafonds inderdaad ruimschoots gerespecteerd door het geheel van de elektriciteitsproductie (inclusief de  stroomproductie uit WKK’s en uit afvalverbranding).

De blijvende daling van emissies bij elektriciteitsproductie is het gevolg van een combinatie aan maatregelen zoals de inzet van nieuwe centrales met hogere rendementen (hoofdzakelijk STEG en STEG-WKK's) en een rendementsverbetering bij bestaande eenheden. Ook de co-verbranding van biomassa (pellets, houtstof en -chips, olijfpitten, koffiegruis, ...) in klassiek thermische centrales of het ombouwen van dergelijke centrales tot zuiver biomassa centrales dragen bij tot een emissiedaling. Daarnaast is er ook de inzet van hernieuwbare energiebronnen en minder milieubelastende brandstoffen zoals kolen met een laag N-gehalte of aardgas dat bij verbranding geen SO2 en minder NOx en CO2 vormt. 

In 2010 ondertekenden de Vlaamse overheid en de elektriciteitsproducenten een nieuwe MBO, nu voor de periode 2010-2014. Omdat het moeilijk is om het investeringsklimaat en het aantal en type nieuwkomers voor de periode tot 2014 nauwkeurig in te schatten, werd overeengekomen om voor NOx een relatief plafond in te voeren waarbij de emissie wordt gerelateerd aan de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit. De afspraak is daarbij de NOx-uitstoot gaandeweg terug te dringen van maximaal 440 g/MWe in 2010 naar maximaal 325 g/MWe in 2014.  

Voor SO2, waarvan de uitstoot vooral afhangt van de gebruikte brandstof, wordt wel nog gewerkt met een emissieplafond voor de reeds bestaande, veeleer grotere elektriciteitsproductie-installaties waarin fossiele brandstoffen en/of biomassastromen worden gestookt. Dit plafond bedroeg 188 miljoen Zeq (6 kton) per jaar voor de periode 2010-2012. Vanaf 2013 daalde dit plafond verder naar 88 miljoen Zeq (2,8 kton) per jaar.

Na het aflopen van de MBO 2010-2014 zijn er geen vergelijkbare normen (een absoluut plafond voor Voor SO2 of een plafond per MWe voor NOx) meer van kracht. Voor de betroffen installaties zijn wel de emissiegrenswaarden voor stookinstallaties uit Vlarem II (hoofdstuk 5.43) van toepassing maar dit is per individuele installatie, niet voor alle elektriciteitsproductie-installaties in zijn geheel. De emissiegrenswaarden hangen af van het thermisch vermogen en de datum van ingebruikname van de installatie en eveneens van de soort brandstof. De grenswaarden voor de individuele stookinstallaties zijn in 2017 nog verstrengd. Dit in het kader van de omzetting van de MCP- (Medium Combustion Plants) richtlijn naar Vlarem II.

Door alle maatregelen is de NOx-emissie in de elektriciteitsproductie verder gedaald en bedroeg in 2014 nog 126 miljoen Zeq (5,8 kton), zijnde 47 % van de emissie in 2008. In 2015 is de NOx-emissie met 16 % gestegen t.o.v. 2014. Dit is te verklaren door een forse toename met 25 % van de netto elektriciteitsproductie door de klassieke centrales in 2015 t.o.v. 2014. In 2016 daalde de NOx-emissie opnieuw (- 19 % t.o.v. 2015). Aan de voorwaarde van maximaal 325 g/MWe uit de MBO van 2010 wordt in 2014 voldaan (302 g/MWe). In 2015 en 2016 daalde de uitstoot per geproduceerde elektriciteit verder, namelijk naar 301 en 248 g/MWe.

Vanaf 2010 emitteerde de deelsector elektriciteit & warmte al ruim minder dan het SO2- plafond. In 2016 bedraagt de SO2-emissie nog slechts 26 miljoen Zeq (0,8 kton). De sluiting van enkele oude klassieke centrales en de ombouw van een steenkoolcentrale in Rodenhuize naar een biomassa-centrale met een ontstikkingsinstallatie (in 2011) leverden een belangrijke bijdrage aan de SO2-emissiedaling. 

Petroleumraffinage

De emissiereducties in de petroleumraffinage in de periode 1995-2000 zijn een gevolg van de strengere norm op de som van de emissies afkomstig van de stookinstallaties en de procesinstallaties van petroleumraffinaderijen ('stolpnorm' van 1 300 mg SO2/Nm³ i.p.v. 2 000 mg SO2/Nm3).

Onder invloed van hogere energieprijzen hebben de petroleumraffinaderijen de voorbije jaren het rendement van hun verbrandingsinstallaties verhoogd. In 2004 verstrengden de VLAREM II-emissiegrenswaarden van de petroleumraffinaderijen voor SO2 en NOx. Die waarden waren gebaseerd op een mogelijke verdeling van de NEC-emissiejaarplafonds tegen 2010 voor alle stationaire bronnen samen. 

Vervolgens zijn vanaf 1 januari 2010 de emissiegrenswaarden voor raffinaderijen nog gevoelig aangescherpt in VLAREM II: voor SO2 van 800 naar 350 mg/Nm³, voor NOx van 300 naar 200 mg/Nm³. Om onder deze limieten te blijven hebben de petroleumraffinaderijen bijkomende zuiveringsapparatuur in gebruik genomen (bv. natte gaswasser), schakelden ze over naar minder hoogzwavelige brandstof en worden bepaalde gebruikte brandstoffen (zeer zware stookolie en raffinaderijgas) vooraf ontzwaveld. Andere maatregelen zijn een verbeterde betrouwbaarheid en efficiëntie van de zwavelrecuperatie-eenheden en een betere monitoring van de affakkelinstallaties. 

De inspanningen van de raffinaderijen resulteerden in een reductie van de SO2-uitstoot. In 2014 emitteren de raffinaderijen 255 miljoen Zeq (8,2 kton) SO2, dit is een reductie met 69,0 % t.o.v. het jaar 2000 en met 64 % t.o.v. 2009. In 2015 steeg de SO2-emissie met 21 % tot 309 miljoen Zeq (9,9 kton). Dit is vooral te wijten aan een hogere productie in de raffinaderijen enerzijds en de tijdelijke onbeschikbaarheid van bepaalde zuiveringsinstallaties door herstellingswerken anderzijds. In 2016 bleef de SO2-emissie op hetzelfde peil als in 2015.

De NOx-uitstoot in 2014 bedroeg 83 miljoen Zeq (3,8 kton), zijnde een emissievermindering met respectievelijk 50 % en 16 % t.o.v. 2000 en 2009. Om dezelfde redenen als bij SO2, is er ook bij de NOx-emissie een stijging in 2015, weliswaar beperkt tot 5 %. De NOx-emissie in 2015 bedroeg 87 miljoen Zeq (4,0 kton) en bleef in 2016 op hetzelfde niveau als in 2015.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid