Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Sectoren / Energieproductie / Ozonprecursoren energiesector

Emissie van ozonprecursoren door de energiesector

Deze indicator toont de emissies van ozonprecursoren door de energiesector, en dit zowel per deelsector als per stof (NMVOS, NOx, CO, CH4). Ozonprecusoren zijn stoffen die aanleiding geven tot de vorming van ozon in de omgevingslucht. Voorheen werden de emissies van deze ozonprecursoren gesommeerd en uitgedrukt in ton TOFP, dit aan de hand van wegingsfactoren voor omzetting naar ‘Troposferic Ozone Forming Potential’ (TOFP) (wegingsfactoren voor NMVOS 1; NOx 1,22; CH4 0,014 en CO 0,11). Uit recent onderzoek is echter gebleken dat het ozonvormend vermogen van de verschillende precursoren niet constant is en sterk kan verschillen naargelang de weersomstandigheden, de concentraties van andere precursoren, enz. Daarom worden de ozonprecursoren niet meer gesommeerd maar afzonderlijk beschouwd.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: oktober 2019
Actualisatie: Jaarlijks

Doelstellingen

Er zijn geen specifieke doelstellingen voor de emissies van deze verschillende polluenten voor de energiesector, wel voor de totale Vlaamse emissie van NOx en NMVOS.

In het laatst opgemaakte Vlaamse milieubeleidsplan MINA-plan 4 (2011-2015) zijn er doelstellingen opgenomen tegen 2015, nl. 110,4 kton voor NOx en 67,9 kton NMVOS. 

De amendering van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL) (27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor de stationaire bronnen (waaronder de energiesector). Voor Vlaanderen bedragen de plafonds voor stationaire bronnen 56,9 kton voor NOx en 63,5 kton voor NMVOS. De Belgische plafonds voor niet-stationaire bronnen bedragen 68 kton voor NOx en 15 kton voor NMVOS.

Ter vervanging van de NEC-richtlijn werd op 14/12/2016 een nieuwe Europese richtlijn gepubliceerd, de 'Richtlijn 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen'. Deze richtlijn dient door de lidstaten uiterlijk tegen 1 juli 2018 in de regelgeving opgenomen. Een belangrijk verschil met vroeger is dat de doelstellingen niet meer als een absoluut plafond zijn uitgedrukt, maar als een procentuele emissiereductie t.o.v. 2005, en dit voor de periode 2020-2029 en voor de periode vanaf 2030.

In uitvoering van deze richtlijn heeft de Vlaamse Regering op 25 oktober 2019 het Luchtbeleidsplan goedgekeurd. Volgens dit Luchtbeleidsplan moeten de Vlaamse emissies van NOx en NMVOS tegen 2020 met respectievelijk 42 % en 22 % verminderd worden t.o.v. het jaar 2005. Dit vertaalt zich naar absolute emissieplafonds van 100,3 kton NOx en 73,1 kton NMVOS in 2020. De reductiepercentages en absolute emissieplafonds tegen 2030 bedragen respectievelijk 59 % en 71,8 kton voor NOx en 37 % en 58,8 kton voor NMVOS.

CH4 behoort tot de broeikasgassen en voor de algemene doelstellingen hieromtrent verwijzen we naar de indicatoren van het thema ‘Klimaatverandering’.

Voor CO zijn er geen doelstellingen geformuleerd.

De twee belangrijkste activiteiten van de energiesector zijn de elektriciteitsproductie en de petroleumraffinage. Voor deze twee deelsectoren zijn er wel specifieke milieubeleidsovereenkomsten (MBO's) en/of normeringen voor bepaalde emissies.   

Fors gedaalde uitstoot

In 2017 bedroegen de emissies van de precursoren door de energiesector respectievelijk 9 340 ton NOx, 4 171ton NMVOS, 13 346 ton CH4 en 2 771 ton CO. Dit betekent dat de uitstoot sinds het jaar 2000 gereduceerd is met 77 % voor NOx, 70 % voor NMVOS, 66 % voor CO en 17 % voor CH4. Ten opzichte van 1990 is de emissievermindering nog veel groter. Enkel voor CH4 is de emissiereductie beperkt, de jaarlijkse CH4-emissie van de energiesector kent bovendien een schommelend verloop en bedraagt de laatste jaren steeds 13 000 à 15 000 ton. Met 13 346 ton in 2017 wordt voor de energiesector wel de laagste CH4-emissie opgetekend.

In 2017 is 58 % van de NOx-emissie door de energiesector afkomstig van de elektriciteits- en warmteproductie (inclusief de stroomproductie uit WKK’s en uit afvalverbranding), 42 % van de petroleumraffinaderijen. Wat betreft de NMVOS-emissies (in 2017) is de petroleumraffinage verantwoordelijk voor 60 %, de elektriciteits- en warmteproductie voor 5 % en de deelsector aardgas voor 35 %.

De CH4-emissie komt bijna uitsluitend (ruim 93 %) van de deelsector 'aardgas'. De lekverliezen ontstaan bij de herverdamping van vloeibaar aardgas, bij herstelling en onderhoud, en bij transport door de, vooral oudere leidingen (uit gietijzer of asbestcement). De petroleumraffinage heeft in 2017 een aandeel in de CO-uitstoot van 45 %, de elektriciteits- en warmteproductie 55 %. 

Vermindering uitstoot ozonprecursoren vooral als gevolg van NOx- en NMVOS-emissiereductiemaatregelen

De sterke dalingen in de elektriciteitssector en bij de petroleumraffinaderijen zijn vooral het gevolg van de maatregelen voor het beperken van de NOx-emissie (in gebruik nemen van ontstikkingsinstallaties (DeNOx), hoog rendement centrales (STEG, STEG-WKK's), gebruik van minder milieubelastende brandstoffen, ...). Tal van deze maatregelen zijn een gevolg van de milieubeleidsovereenkomsten (MBO's) en strengere emissiegrenswaarden.

Voor petroleumraffinaderijen is er eveneens een sterke daling van de NMVOS-procesemissies, o.a. dankzij de vermindering van lekverliezen.

De CO- en CH4-emissies kennen sinds 2000 een eerder fluctuerend verloop. De CH4-emissies bij het aardgastransport kunnen nog verder worden teruggedrongen door vervanging van bestaande doorlaatbare leidingen (gietijzer, asbestcement) door leidingen in PVC of poly-etheen (emissiefactor 10 tot 100 maal kleiner).

Voor een bespreking van de NOx-uitstoot verwijzen we naar een andere indicatorfiche, meer bepaald ‘emissie van verzurende stoffen door de energiesector’. Ook de emissies van CH4 komen al in de indicator ‘emissie van broeikasgassen door de energiesector’ aan bod.

Voor wat NMVOS betreft stoot de energiesector, en dan vooral de petroleumraffinage procesgebonden emissies uit. Het betreft dan vooral lekverliezen tijdens raffinageprocessen onder hoge druk, verliezen bij opslagtanks en overslaginstallaties, en verdampingsverliezen bij de afvalwaterbehandeling. Die procesemissies kunnen beperkt worden door implementatie van ‘Lek Detectie en Herstel’-systemen, door emissiestromen te verzamelen naar een fakkelsysteem, door de beperking van koolwaterstoffen in het (koel-, afval- en proces)water, door de beperking van niet-geleide emissies bij op- en overslag door te werken met tanks voorzien van een drijvend dak en door de inzet van een dampretoursysteem voor de terugwinning van verdampte producten bij het laden en ontladen.

Daarnaast zijn er de NMVOS-emissies door stookinstallaties. Deze zijn vooral te wijten aan een onvolledige verbranding van de brandstof, en wijst dus op een slechte verbranding. Door de verbrandingscondities (temperatuur, verblijftijd, ...) aan te passen en te verbeteren kunnen deze stookemissies in de toekomst nog verder teruggedrongen worden.

www.milieurapport.be is een officiële website van de Vlaamse overheid

Elke dag opnieuw werkt de Vlaamse Milieumaatschappij aan het milieu van morgen. Water, lucht en milieurapportering zijn onze kerntaken.