Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Waterkwantiteit / Grondwaterstand

Grondwaterstand

Het is om twee redenen belangrijk de evolutie van de grondwaterstanden op te volgen. Omwille van de hoge en stabiele kwaliteit pompen heel wat bedrijven en drinkwatermaatschappijen grondwater op om het te gebruiken als proceswater en drinkwater. Als de grondwaterstanden dalen, moet er dieper gepompt worden of moet er overgeschakeld worden op andere bronnen. Een daling van de grondwaterstanden kan ook een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater. Daarnaast beïnvloedt de stand van het ondiepe grondwater in grote mate de vegetatie. Een daling van het ondiepe grondwater kan negatieve gevolgen hebben voor de natuur en de landbouw.

De VMM beschikt over een uitgebreid net van meetfilters waar de grondwaterstand regelmatig opgevolgd wordt, zowel in freatische als niet-freatische watervoerende lagen. De meetresultaten van 799 meetfilters werden individueel statistisch geanalyseerd voor de periode 2011-2016. Eerst werd nagegaan of een meetreeks een statistisch significante trend vertoont, met name of er sprake is van een monotone trend in een bepaalde richting. Als dat het geval was, werd de grootte van de trend berekend (in meter per jaar) en in klassen ingedeeld:

 

  • 0-0,05 m/j = kleine daling/stijging
  • 0,05-0,1 m/j = matige daling/stijging
  • 0,1-0,5 m/j = grote daling/stijging
  • > 0,5 m/j = zeer grote daling/stijging

Daarnaast werd een bijkomende trendanalyse gedaan. Meer bepaald werd voor de meetfilters in de diepere grondwaterlagen nagegaan of er een statistisch significante trend is op langere termijn (2004-2016) waarbij ook geanalyseerd werd of er in de laatste 6 jaar van de tijdreeks een trendbreuk is opgetreden. Een trendbreuk kan zowel een versnelling, een vertraging als een trendombuiging inhouden.

Evaluatie: Icon neutraal
Laatst bijgewerkt: november 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Bob Peeters

In freatische grondwaterlagen vaker geen trend

Ongeveer 55  % van de geanalyseerde meetreeksen vertoont geen statistisch significante trend over de periode 2011-2016, 16 % vertoont een daling en 29 % is gestegen. Freatische meetfilters vertonen relatief vaker geen statistisch significante trend. Van de freatische meetfilters vertoont 77 % geen trend, tegenover 36 % van de niet-freatische meetfilters. In tegenstelling tot de diepere, niet-freatische meetfilters,  reageren freatische meetfilters snel op de weersomstandigheden die vaak een wisselend karakter hebben. Bovendien zijn er vaak geen uitgesproken trends in de onttrekkingen uit de freatische grondwaterlagen, terwijl dat in de niet-freatische lagen vaker wel het geval is. Beide factoren verklaren waarom de grondwaterstanden van freatische lagen minder vaak een uitgesproken trend vertonen.

Klimatologische omstandigheden beïnvloeden peil freatische grondwaterlagen

Van de freatische meetfilters vertoont 12 % een significante stijging en 10 % een significante daling. Klimatologische omstandigheden spelen wellicht een doorslaggevende rol in de algemene trend van de freatische grondwaterlagen voor Vlaanderen. De aanvulling van het grondwater gebeurt vooral in de winter maar is ook afhankelijk van de neerslag en de hoeveelheid water die verdampt gedurende het hele jaar. In de periode 2011-2016 vertoonde de neerslag in de winterhelft van het jaar een toename, de jaarneerslag vertoonde bijna geen trend en er was een afname van de potentiële evapotranspiratie met in 2016 een duidelijk lagere waarde dan in 2014 en 2015. Al deze elementen samen verklaren waarom er iets meer stijgende dan dalende freatische grondwaterstanden waren. De analyse van de relatieve grondwaterstandindicator die gerapporteerd wordt op de website van de Databank Ondergrond Vlaanderen (LINK) geeft een gelijkaardig beeld. Die indicator geeft per dag aan in welke mate de grondwaterstand afwijkt van de grondwaterstand gedurende de voorbije 30 jaar en houdt geen rekening met locaties die onder sterke antropogene invloed (bv. grondwaterwinningen) staan. Op die manier spelen enkel de effecten van klimatologische omstandigheden.  Uit de lineaire regressielijnen voor de periode 2011-2016 blijkt dat het aandeel meetplaatsen met een relatief hoge waterstand toenam, terwijl het aandeel meetplaatsen met een relatief lage waterstand afnam. Het aandeel meetplaatsen met een relatief zeer hoge, zeer lage en normale waterstand vertoonde weinig of geen evolutie.

In diepere waterlagen duidelijk meer stijgingen dan dalingen

Bij de meetfilters in niet-freatische waterlagen worden duidelijk meer stijgingen dan dalingen vastgesteld  in de periode 2011-2016 (43 tegenover 21 %). Ook op langere termijn (2004-2016) zijn er duidelijk meer stijgingen (49 %) dan dalingen (30 %). Trendbreuken in de laatste 6 jaar doen zich niet zo vaak voor. De meeste trendbreuken wijzen op:

  • Meetfilters met een significante stijging in de periode 2004-2016 die recent nog versneld is (4 %);
  • Meetfilters die geen significante trend vertonen in de periode 2004-2016 maar recent wel een stijging (3 %);
  • Meetfilters met een significante daling in de periode 2004-2016 die recent vertraagd is (3 %).

Daarnaast blijkt dat recente trendombuigingen (van stijgend naar dalend of omgekeerd) relatief vaker voorkomen bij meetfilters met een daling dan bij meetfilters met een stijging. Al deze signalen wijzen er op dat er meer meetfilters zijn waar een herstel van de watervoorraad aan de gang is dan meetfilters waar de watervoorraden nog verder uitgeput worden.

De waargenomen trends zijn grotendeels te verklaren door grondwaterwinning, nu en in het verleden. Klimatologische variatie kan voelbaar zijn in niet-freatische lagen, maar het effect van die variatie is klein in vergelijking met de antropogene beïnvloeding door waterwinning. Bij de niet-freatische grondwaterlagen worden op meerdere plaatsen (zeer) grote stijgende trends vastgesteld. Die zijn waarschijnlijk het gevolg van lokale of regionale maatregelen om de afbouw van grondwaterwinningen te stimuleren. Er zijn echter ook meetfilters met dalende trends, wat doet vermoeden dat er plaatselijk uit sommige lagen nog steeds te veel grondwater opgepompt wordt.

Omdat de trends vaak sterk verschillen naargelang de laag en het gebied, is er een aanpak op maat door een gedifferentieerd grondwaterheffingen- en vergunningenbeleid.

Merendeel grondwaterlichamen in goede kwantitatieve toestand

Bij de opmaak van de tweede generatie stroomgebiedbeheerplannen is de kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen uitgebreid geëvalueerd voor 2012. Daarbij werden 5 criteria in rekening gebracht. Naast de trendanalyse van de grondwaterstanden werd ook nagegaan of de waterwinningen in het beschouwde grondwaterlichaam een invloed hebben op de toestand van aangrenzende waterlichamen. Vervolgens werden de mogelijke indringing van zout water van buiten het grondwaterlichaam door antropogene invloeden en het risico op beluchting van gespannen grondwaterlichamen bekeken. Tot slot werden ook de mogelijke effecten op grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen geanalyseerd. De resultaten geven aan dat de 26 freatische grondwaterlichamen in goede toestand zijn en dat 8 van de 16 gespannen grondwaterlichamen in slechte kwantitatieve toestand verkeren. Deze uitgebreide analyse wordt in principe om de 6 jaar herhaald.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid