Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Waterkwantiteit / Hydrologisch gedrag van onbevaarbare waterlopen

Hydrologisch gedrag van onbevaarbare waterlopen

Het totale volume water dat een waterloop afvoert, bestaat uit twee componenten. De directe run-off of de oppervlakkige afvoer is de component die de directe reactie vormt van het stroomgebied op een regenbui. Over het algemeen bereikt het deel van de neerslag dat oppervlakkig afstroomt na enkele uren of dagen de onbevaarbare waterloop. De basisafvoer is het deel van de totale afvoer dat veel trager reageert op de neerslag en voor een groot deel via het grondwater de waterloop bereikt. Analyse van het afvoergedrag van waterlopen kan informatie opleveren over de kansen op overstromingen en op verdroging. Immers, als het totale debiet en de oppervlakkige afvoer stijgen, stijgen de kansen op overstromingen. Als het basisdebiet daalt, is dat een aanwijzing voor verdroging.

Op 46 meetplaatsen, gelegen op de grotere onbevaarbare waterlopen, zijn er meetreeksen met metingen van de afgevoerde debieten die minstens 25 jaar lang zijn. Voor elk van die meetplaatsen afzonderlijk en voor het gemiddelde van die meetplaatsen werd nagegaan of de jaarlijkse oppervlakkige afvoer, het jaarlijkse basisdebiet, het jaarlijkse totale debiet en de neerslag in het afstroomgebied een statistisch significante trend vertonen.

Om de link naar overstromingsgevaar te kunnen leggen, wordt vervolgens nagegaan of specifieke hoogwaterafvoeren in 2014 frequenter voorkomen dan vroeger (tot en met 1996). Daartoe werd uit de meetreeks statistisch bepaald welke de hoogste afgevoerde debieten zijn die eens per 2, 5, 10, 20, 50 en 100 jaar voorkomen. Die laatste zijn de terugkeerperiodes, afgekort als T. Vervolgens werden die debieten vergeleken met de resultaten uit eenzelfde analyse op de volledige meetreeksen tot en met 2014. Op die manier kan dus nagegaan worden of extreme debieten frequenter of minder frequent voorkomen. Deze analyse werd niet per individuele waterloop uitgevoerd, maar wel per hydrologisch homogene regio. Hierdoor is het mogelijk veranderingen op een grotere schaal op te sporen. Van onbevaarbare waterlopen die binnen een hydrologisch homogene regio liggen, is immers aangetoond dat ze een gelijkaardig waterafvoergedrag vertonen. Voor deze oefening werd Vlaanderen verdeeld in drie hydrologisch homogene regio’s: het hellend gebied van Oost- en West-Vlaanderen, de droge leemstreek en de Zandstreek (Kempen). Daarvoor waren respectievelijk 46, 20 en 29 meetstations beschikbaar. De polders zijn in deze oefening niet meegenomen omdat er te weinig metingen beschikbaar zijn.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: juni 2016
Actualisatie: Vijfjaarlijks
Contactpersoon: Bob Peeters

Aanwijzingen voor effecten van toenemende verharding en klimaatverandering?

Er zijn iets meer meetstations waar het basisdebiet significant daalt dan er meetstations met een significante stijging van het basisdebiet zijn. Het omgekeerde geldt voor de oppervlakkige afvoer en voor de totale afvoer. De neerslag per stroomgebied vertoont slechts op enkele meetplaatsen een significante stijging. Voor alle indicatoren geldt dat de meeste meetstations geen significante trend vertonen.

De analyses van de gemiddelde afvoer- en neerslagdebieten van de 46 meetstations wijzen in dezelfde richting: de lineaire trendlijn door het gemiddelde basisdebiet daalt licht, terwijl de trendlijn voor het oppervlakkige afvoer zeer licht stijgt. De trendlijn door de totale afvoer loopt quasi horizontaal, terwijl de trendlijn voor de neerslag licht stijgt. Voor deze gemiddelde afvoer- en neerslagdebieten geldt echter dat geen van de trends statistisch significant zijn.

Omdat het beeld van de resultaten per meetstation zeker niet eenduidig in één bepaalde richting wijst en de trends van de gemiddelde debieten statistisch niet significant zijn, mogen er geen harde conclusies aan de resultaten van deze analyses verbonden worden die voor heel Vlaanderen gelden. De resultaten lijken wel in overeenstemming met een aantal plausibele effecten. Door de toename van de verharding en de neerslagintensiteit kan er bv. een daling van het basisdebiet en een toename van de oppervlakkige afvoer verwacht worden. En, omdat de verdamping toeneemt, leidt een toename van de neerslag niet tot een evenredige toename van de totale afvoer.

Zeer uitzonderlijke hoogwaterdebieten lijken frequenter voor te komen

Uit de resultaten van de analyse van de terugkeerperiodes voor hoogwaterafvoer in drie hydrologisch homogene zones, blijkt bijvoorbeeld dat een hoogwaterafvoer die tot en met 1996 in de Zandstreek eens om de 100 jaar voorkwam, zich tot en met 2014 al eens per 70 jaar voordoet. Over het algemeen observeren we voor de lage terugkeerperiodes (2, 5 of 10 jaar) geen of slechts relatief kleine afnames van de terugkeerperiodes. Voor terugkeerperiode van 20 jaar en hoger worden voor elk van de drie hydrologische regio’s wel afnames vastgesteld: extreme debieten die tot en met 1996 voorkwamen met een frequentie van eens in de 20, 50 of 100 jaar komen nu frequenter voor, en die evolutie is des te meer uitgesproken naarmate het grotere terugkeerperiodes betreft. Deze analyse levert dus indicaties dat zeer uitzonderlijke hoogwaterafvoeren, en dus ook het ermee samenhangende overstromingsgevaar, de laatste twee decennia wat minder uitzonderlijk zijn geworden. In welke mate dit toegeschreven mag worden aan klimaatverandering of aan andere factoren (bv. veranderingen landgebruik, verharding) is nog niet duidelijk. Bovendien zijn de beschikbare meetreeksen nog te kort om het onderscheid te maken tussen meerjarige klimaatschommelingen en echte klimaattrends op nog veel langere termijn.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid