Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Waterkwaliteit / Nitraat in oppervlaktewater in landbouwgebied

Nitraat in oppervlaktewater in landbouwgebied

Een te hoge nutriëntenconcentratie in het oppervlaktewater bedreigt de drinkwaterproductie en heeft een negatieve impact op de ecologische toestand van het oppervlaktewater. De kwaliteit van het oppervlaktewater in landbouwgebied wordt opgevolgd in het MAP-meetnet. Het aantal meetpunten werd eind 2002 uitgebreid van ongeveer 260 naar ongeveer 760.

MAP4 was het vierde mestactieprogramma in uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn en was van toepassing tijdens de periode 2011-2014. MAP4 stelde als doel het aandeel MAP-meetplaatsen met een overschrijding van de drempelwaarde (50 mg nitraat per liter) te doen dalen tot minder dan 16 %. MAP5, het mestactieprogramma voor de periode 2015-2018, stelde als doel tegen 2018 het aandeel MAP-meetplaatsen met een overschrijding van de drempelwaarde te doen dalen tot maximaal 5 % van de meetplaatsen.

Met MAP6, het mestactieprogramma voor de periode 2019-2022, wordt een nieuwe indicator ingevoerd: de gemiddelde nitraatconcentratie in de afstroomzone van een Vlaams waterlichaam. Vlaanderen wordt zo ingedeeld in 195 afstroomzones en 71 grensafstroomgebieden, die het afstroomgebied van kleinere waterlopen  omvat die uit of in Vlaanderen stromen. Als lange termijn doel wordt een streefwaarde van 18 mg nitraat/liter vooropgesteld per afstroomzone. Doel voor 2022 is een daling van de gemiddelde doelafstand voor de afstroomzones met een gemiddelde hoger dan 18 mg nitraat/liter met 4 mg nitraat/liter tegen 2022.

Naast de analyse van de gemiddelde concentraties en het percentage meetplaatsen dat de drempelwaarde overschrijdt, wordt per meetplaats ook nagegaan of de nitraatconcentraties een statistisch aantoonbare trend vertonen. Als er sprake is van een statistisch significante trend wordt ook aangegeven of die klein, matig of groot is. Voor nitraat zijn de grenzen voor die indeling 1 en 2 mg nitraat/l/jaar.

In regio’s waar intensief wordt bemest met dierlijke mest komen de hoogste nitraatconcentraties in het oppervlaktewater normaliter voor gedurende de winterperiode. Het is dus zinvoller om over de winter heen te evalueren dan de evaluatie over een volledig kalenderjaar te laten verlopen. Een winterjaar loopt vanaf 1 juli van een kalenderjaar tot en met 30 juni van het daaropvolgende kalenderjaar.

Evaluatie: Icon negatief
Laatst bijgewerkt: december 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Bob Peeters

Doelen niet gehaald

Het percentage meetplaatsen met een overschrijding van de drempelwaarde en de gemiddelde nitraatconcentratie in landbouwgebied vertonen een gelijkaardig patroon: een duidelijke verbetering tussen 2005-2006 en 2013-2014, die zich vervolgens niet heeft doorgezet, en recent een opmerkelijke achteruitgang. In het winterjaar 2018-2019 bedraagt het percentage meetplaatsen met overschrijding van de drempelwaarde 38 %. Daarmee worden de doelen voor 2014 (16 %) en 2018 (5 %) dus niet gehaald. De droge zomers van 2017 en 2018 zijn in de winters 2017-2018 en 2018-2019 gevolgd door meer overschrijdingen van de drempelwaarde.  Droge zomers leiden tot minder opname van stikstof (en fosfor) door de landbouwgewassen en bijgevolg tot een hogere bodemvoorraad nitraat (en fosfaat). In de winterperiode spoelt de nitraatvoorraad uit, als er met de teeltkeuze en bemesting geen rekening wordt gehouden met de geringe opname in de zomerperiode.

97 van de 176 beoordeelde afstroomzones hebben in het winterjaar 2018-2019 een gemiddelde nitraatconcentratie lager dan de streefwaarde voor de lange termijn van 18 mg nitraat per liter. De meest uitgesproken cluster van afstroomzones met hoge nitraatconcentraties bevindt zich in het zuiden van West-Vlaanderen, maar ook in de andere provincies komen nog afstroomzones voor met hoge nitraatconcentraties.

Uit de statistische trendanalyse per meetplaats over de periode 2009-2010 tot en met 2018-2019 blijkt dat de nitraatconcentratie op ongeveer 77 % van de meetplaatsen geen statistisch significante trend vertoont. Het percentage meetpunten met een significant dalende trend (20 %) is veel groter dan het percentage met een significant stijgende trend (3,5 %). De trends kunnen dus sterk verschillen van meetplaats tot meetplaats.

Om de vooropgestelde doelen te halen, zijn ingrijpende aanpassingen aan het mestbeleid nodig. Algemene maatregelen die kunnen leiden tot een lagere mestproductie (bv. omvang veestapel beperken, voederefficiëntie verhogen, lagere vleesconsumptie) en meer mestverwerking (bv. circulair gebruik van verwekte mest in plaats van kunstmest), kunnen helpen het mestgebruik verder te verminderen en beter te doseren. Andere maatregelen zijn het inzaaien van vanggewassen en de aanleg van bufferstroken langs waterlopen.

Het rapport Nutriënten in oppervlaktewater in landbouwgebied, Resultaten MAP-meetnet 2018-2019 geeft meer info.

Resultaten per meetpunt kunnen opgevraagd worden via de website van VMM, geoloket waterkwaliteit.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid