Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Waterkwaliteit / Nitraat in grondwater in landbouwgebied

Nitraat in grondwater in landbouwgebied

Nitraat komt in het grondwater terecht door (over)bemesting en insijpeling van stikstofhoudend water. Te hoge nitraatconcentraties bemoeilijken bepaalde gebruikstoepassingen van grondwater zoals de productie van drinkwater. Bovendien kan nitraatrijk grondwater dat aan de oppervlakte komt, aanleiding geven tot eutrofiëring en dus verstoring van natuurwaarden, zowel bij aquatische als terrestrische ecosystemen.

Deze indicator toont de resultaten van de meetcampagnes sinds 2004 in het MAP-meetnet grondwater met ongeveer 2100 meetputten, die meestal op drie dieptes (‘filters’) en tweemaal per jaar bemonsterd worden. De kwetsbaarheid van watervoerende lagen voor nitraatvervuiling kan sterk verschillen. Ze hangt af van een aantal kenmerken van de ondergrond zoals de hydraulische doorlaatbaarheid en de reductiecapaciteit. In kwetsbare zones is de densiteit aan meetputten groter dan in minder kwetsbare zones om beter rekening te houden met risicofactoren. Om toch een gemiddelde nitraatconcentratie voor Vlaanderen te kunnen bepalen, wordt eerst een gemiddelde concentratie per hydrogeologisch homogene zone (HHZ) bepaald waarna gewogen wordt volgens het landbouwareaal van de zones. HHZ’s zijn zones waarbinnen nitraatverspreiding en nitraatafbraak op een vergelijkbare manier in de hiermee geassocieerde watervoerende lagen gebeurt.

Het 4e actieprogramma voor de Nitraatrichtlijn voor de periode 2011-2014 (MAP 4) had als doelstelling voor grondwater om tegen 2014 de gewogen gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste filter van het grondwatermeetnet met minimum 4 mg nitraat per liter te verlagen ten opzichte van 2010 tot maximum 36 mg nitraat per liter. In het kader van het MAP 5 (2015-2018) was het de ambitie om de gewogen gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste filter van het grondwatermeetnet tegen eind 2018 verder te doen dalen tot maximum 32 mg nitraat per liter of een afname van minimum 20 % ten opzichte van 2010.

Voor grondwater is bovendien een bijkomende regionale aanpak voorzien in MAP 5, zoals ook al tijdens MAP 4 toegepast. Zo zijn er bijkomende doelstellingen voor grondwater vooropgesteld in zones waar in 2014 op filterniveau 1 gemiddeld meer dan 50 mg nitraat per liter werd gemeten. Voor deze zones moest de concentratie tegen eind 2018 met gemiddeld minimum 5 mg nitraat per liter gedaald zijn.

Ten slotte werd op lokaal niveau ingezet op de aanpak van meetputten met een gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 2 x de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter (≥ 100 mg nitraat per liter) op filterniveau 1. De doelstelling was om de nitraatconcentratie van deze individuele putten met minimum 10 % per actieprogramma te verminderen.

MAP 6 (2019-2022) voert een nieuwe gebiedstype-indeling in. Die vervangt de vroegere afbakening van de focusgebieden. De nieuwe indeling bestaat uit vier gebiedstypes en daar worden verschillende gebiedsgerichte maatregelen ingezet.  Het doel op het einde van MAP 6 is in alle afstroomzones met onvoldoende grondwaterkwaliteit een globale dalende trend van minstens 0,75 mg nitraat/l per jaar te realiseren. Dat komt overeen met een reductie van 3 mg nitraat/l over de volledige planperiode.

Evaluatie: Icon negatief
Laatst bijgewerkt: december 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Bob Peeters

Positieve evolutie zet zich niet door, doelstellingen MAP5 niet gehaald

De recente input van nitraat naar het grondwater heeft hoofdzakelijk impact op de zone van de bovenste putfilter (filter 1). In de periode 2007-2014 is de gewogen gemiddelde nitraatconcentratie van filter 1 gedaald. Het doel voor 2014 (maximaal 36 mg nitraat per liter) werd  gehaald, maar sindsdien heeft die daling zich niet doorgezet. De doelstelling van MAP5 (maximaal 32 mg nitraat per liter in 2018) is duidelijk niet gehaald. De oorzaak van de recente stagnatie of zelfs lichte toename is minder duidelijk, waarbij effecten van gewijzigde klimatologische omstandigheden niet uit te sluiten zijn. De vastgestelde evolutie verloopt wel bij benadering parallel met deze van het MAP-meetnet oppervlaktewater en de nitraatresiduen in de bodemlagen.

In de periode 2010-2014 is de gemiddelde concentratie voor het tweede filterniveau eveneens gedaald, maar sinds 2015 zet die daling zich niet meer door. Omwille van de grotere reis- en verblijftijden van het grondwater worden de diepere delen van de bemonsterde, freatische watervoerende lagen minder snel bereikt. De evoluties voor filter 3 zijn dan ook minder uitgesproken. Na een tussentijdse lichte toename  is er ook hier een daling merkbaar sinds 2009, die zich sinds 2015 echter evenmin heeft doorgezet.

Het percentage meetlocaties dat de nitraatnorm overschrijdt, vertoont een vergelijkbare evolutie als bij de gewogen gemiddelde concentratie voor filterniveau 1  met een duidelijke daling tot en met 2014 die zich nadien evenmin doorzet. Sinds 2014 schommelt het overschrijdingspercentage rond 34 %. Tijdens de laatste campagne van 2018 is het overschrijdingspercentage gedaald naar het op een na laagste percentage (32,5%) sinds de start van de metingen.

De nitraatconcentraties vertonen een vrij heterogene spreiding maar er worden toch een aantal clusters van putten met goede en minder goede kwaliteit vastgesteld (eerste kaartje). Positief blijft de situatie langs de kust (Polders), het noordelijke deel van Oost-Vlaanderen en het zuidelijke deel van de provincie Antwerpen. Het aantal overschrijdingen boven de 50 mg NO3-/l is hier vrij beperkt. Voor de cluster van putten met veel nitraatoverschrijdingen in Noord-Limburg, meer bepaald in de zone van de Hoogterrasafzettingen, wordt een status quo vastgesteld. In het centrale en zuidelijke gedeelte van Oost- en West-Vlaanderen en de noordelijke provincie Antwerpen (Noorderkempen) bestaat daarentegen een zeer heterogene situatie met meetpunten die afwisselend een goede en een slechte grondwaterkwaliteit vertonen. Het aantal meetpunten zonder overschrijding overweegt hierbij. Opvallend is ook de accumulatie van meetpunten met minder goede nitraatgehaltes ten oosten van Leuven en de zuidoostelijke rand van Vlaanderen. Voor een deel is dit waarschijnlijk te wijten aan diepe grondwaterstanden in de aanwezige heuvels met bijgevolg trage responstijden, zodat het hier waarschijnlijk over ‘oudere’ nitraatcontaminaties gaat. Een snelle verbetering van de nitraatgehalten in het grondwater kan dan ook niet meteen worden verwacht.

Per HHZ wordt de recente trend bepaald met een lineaire regressie op de meetgegevens van de periode 2015-2018 voor filterniveau 1. Bij de interpretatie van die trends wordt het criterium van MAP 6 (verbetering van 3 mg NO3-/l) gehanteerd Dat levert een heterogeen beeld op (tweede kaartje). Er blijkt een duidelijke afname (>3 mg NO3-/l) bij 12 van de 38 HHZ’s, overeenkomend met 27 % van het landbouwareaal. Een kleine verbetering (tussen 1 en 3 mg NO3-/l) wordt vastgesteld voor 5 zones, goed voor ongeveer 27 % landbouwgebied. Een status quo is in 3 zones opgetreden. Ongeveer 5 % van het landbouwgebied ligt in deze 3 zones. Een lichte toename (tussen 1 en 3 mg NO3-/l) blijkt in 2 van de 38 HHZ’s, overeenkomend met 5,6 % van het landbouwareaal. Een duidelijke toename (> 3 mg NO3-/l) is dan weer vastgesteld voor 16 HHZ’s, die ongeveer 34 % van het Vlaamse landbouwgebied bestrijken.

In het kader van MAP 5 was het de bedoeling dat zones die in 2014 nog gemiddeld hogere concentraties dan 50 mg NO3-/l op filterniveau 1 hadden, tegen eind 2018 een concentratiedaling van minimum 5 mg NO3-/l moesten realiseren. Voor 9 HHZ’s (ca. 16 % landbouwgebied) is het tot onvoldoende vermindering van de nitraatconcentraties (minder dan 5 mg NO3-/l) gekomen of zijn de nitraatconcentraties gestegen (tot) boven 50 mg NO3-/l. In 2018 werd in 10 HHZ’s (ca. 16,5 % landbouwgebied) een gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 50 mg NO3-/l vastgesteld (t.o.v. 8 HHZ’s in 2014).

In MAP 4 en MAP 5 waren er lokale doelstellingen om ook in putten met heel hoge nitraatconcentraties (meer dan 100 mg NO3-/l op filterniveau 1) een verbetering te realiseren. Zo moesten de concentraties van putten met meer dan 100 mg NO3-/l in 2014 verminderen met minimum 10 % tegen 2018. Verder mocht het nergens tot een verslechtering van de nitraatconcentraties komen tot boven de drempel van 100 mg NO3-/l. In 83,4 % van de geselecteerde putfilters was de nitraatconcentratie zowel in 2014 als in 2018 lager dan 100 mg NO3-/l. In 7,3  % zijn de nitraatconcentraties boven 100 mg NO3-/l in 2014 met meer dan 10 % afgenomen. Maar voor 1,4 % was er een afname van minder dan 10 %. Op 7,9 % van de betrokken putfilters kwam het zelfs tot een toename.

Het Mestrapport 2019 gaat verder in op de regionale en lokale verschillen en op het doelbereik in 2018 o.b.v. trendextrapolaties.

Resultaten per meetpunt kunnen opgevraagd worden via de Databank Ondergrond Vlaanderen.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid