Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Waterkwaliteit / Druk op het waterleven door gewasbescherming

Druk op het waterleven door gewasbescherming (Seq)

De indicator ‘Druk op het waterleven door gewasbescherming’ weegt de jaarlijks verkochte hoeveelheid werkzame stof per gewasbeschermingsmiddel naar toxiciteit voor waterorganismen en verblijftijd in het milieu, en wordt uitgedrukt als de som van de verspreidingsequivalenten (∑Seq). De indicator is dus een maat voor de risico’s voor het waterleven verbonden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De Seq-indicator werd bepaald voor de periode 1990-2010.

Vanaf gebruiksjaar 2011 wordt een aangepaste versie van de Seq-indicator gebruikt (Seq+). De indicator werd op drie punten aangepast met de bedoeling dichter aan te sluiten bij de realiteit. In de eerste plaats werd de toepassingswijze in rekening gebracht. Zo houdt driedimensionale boomgaardbespuiting een groter milieurisico in dan tweedimensionale veldbespuiting. Daarnaast werd de manier om gebruikscijfers te bekomen, aangepast. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw wordt niet langer bepaald op basis van verkoopcijfers maar wel op basis van de resultaten van het Landbouwmonitoringnetwerk (LMN) van het Departement Landbouw en Visserij, afdeling Beleidscoördinatie en Omgeving (ABCO, dienst Kennis). Die gegevens worden geëxtrapoleerd op basis van de landbouwtelling (Algemene Directie Statistiek en Economische informatie, ADSEI) zodat een beeld van gans Vlaanderen geschetst kan worden. De data voor toepassingen buiten de landbouw worden bepaald voor particulieren op basis van verkoopcijfers verkregen via de federale overheid en voor openbare besturen op basis van data verkregen via VMM. Tot slot werden ook de meest recente toxiciteitsdata in de berekeningen geïntegreerd.

Evaluatie: Icon neutraal
Laatst bijgewerkt: maart 2021
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Bob Peeters (VMM)

Daling tussen 1990 en 2010

Het MINA-plan 3+ (2008-2010) beoogde een reductie van 50 % in 2010 ten opzichte van 1990. Het MINA-plan 4 (2010-2015) stelde een verdere afname in de periode 2010-2015 voorop. In 2010 lag de indicatorwaarde ruim 60 % lager dan in 1990. Daarmee werd de doelstelling van het MINA-plan 3+ (2008-2010) gehaald.

De druk op het waterleven is sterker gedaald dan het totale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bovenop de oorzaken die de evolutie van het totale gebruik verklaren (zie Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen), is er immers het federale beleid dat er op gericht is de meest toxische middelen uit de handel te nemen. In de daling van 2001 naar 2002 speelt het verbod op lindaan (insecticide) bijvoorbeeld een belangrijke rol. Ook de uitfasering van diuron (herbicide) heeft een merkbaar effect gehad op de totale indicatorwaarde. De daling van 2007 naar 2008 heeft veel te maken met het verbod op paraquat (herbicide). De daling in 2010 kan dan weer grotendeels toegeschreven worden aan een daling van het gebruik van flufenoxuron (insecticide) en fenoxycarb (insecticide).

Geen duidelijke trend tussen 2011 en 2018

De Seq+ (vernieuwde indicator) vertoont geen duidelijke trend tussen 2011 en 2018. In 2018 bedraagt het aandeel van de landbouw 99 % in de totale indicatorwaarde. Bijgevolg is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw in grote mate bepalend voor het totaalbeeld. Binnen de landbouw had de tuinbouw in 2018 een aandeel van 75 % tegenover 25 % voor akkerbouw.

Slechts een beperkt aantal gewasbeschermingsmiddelen bepaalt in grote mate de totale waarde van de indicator. In de periode 2011-2018 waren het steeds dezelfde  twee stoffen die helemaal bovenaan stonden. In 2018 had koperoxychloride een aandeel van  27 % en koperhydroxide een aandeel van 15 %. Beide zijn fungiciden die vooral in de fruitteelt toegepast worden. Fenoxycarb vervolledigt de top 3 van 2018 (14 %). Fenoxycarb is een groeiregulator voor insecten die in de fruitteelt gebruikt wordt. Het gebruik van fenoxycarb lag in 2018 meer dan een factor 10 hoger dan in 2017 wat de toename van de totale score voor de SEQ+ in 2018 voor een belangrijk deel verklaart.

Bij de behandeling van zaaizaad is er een opmerkelijke daling in 2018. Dat heeft er vooral mee te maken dat cypermethrin en methiocarb niet langer gebruikt werden voor zaaizaadbehandeling. Nieuwe producten zijn tefluthrin en beta-cyfluthrin.

De Seq+ van de niet-landbouw vertoont wel een duidelijke daling in de periode 2011-2018. Die daling (-98 %) is veel groter dan de daling van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (-27 %). Particulieren en openbare besturen gebruiken door de gebruiksbeperkingen dus niet alleen minder maar ook minder toxische gewasbeschermingsmiddelen.

www.milieurapport.be is een officiële website van de Vlaamse overheid

uitgegeven door