Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Waterkwaliteit / Kosten openbare waterzuivering

Kosten van openbare waterzuivering

Drinkwatermaatschappijen leveren niet alleen drinkwater, ze moeten ook voorzien in collectieve maatregelen om het afvalwater te transporteren, te verzamelen en te zuiveren. Met het oog op het behoud van de kwaliteit van het geleverde drinkwater, zijn de drinkwatermaatschappijen immers saneringsplichtig. Hiermee werd een eerste aanzet gegeven tot het aanrekenen van een redelijke bijdrage in de kosten van de waterdiensten (incl. de hulpbron- en milieukosten) aan de gebruikers van deze diensten, een vereiste van de Europese kaderrichtlijn Water. Daarom betalen de verschillende gebruikers een bijdrage in de kosten van deze waterdienst via de integrale drinkwaterfactuur en/of de heffing op de waterverontreiniging.

 De saneringsplicht van de drinkwatermaatschappijen betekent niet dat zij autonoom kunnen beslissen waar welke maatregelen genomen moeten worden. Via contracten tussen de drinkwatermaatschappijen enerzijds en de gemeentelijke rioolbeheerders en het Vlaams Gewest anderzijds worden de verantwoordelijkheden van de drinkwatermaatschappijen duidelijk gestipuleerd. In de contracten met de gemeentelijke rioolbeheerders worden concrete afspraken gemaakt over het inzamelen van het afvalwater omdat dit typisch de gemeentelijke saneringsverplichting uitmaakt. Voor het transport en het zuiveren van het afvalwater, de zogenaamde bovengemeentelijke saneringsverplichting, hebben de drinkwatermaatschappijen een contract afgesloten met Aquafin.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: november 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Bob Peeters

Bijdrage van gezinnen en bedrijven in de kosten voor openbare waterzuivering

In 2010 was de bijdrage in de kosten voor de bovengemeentelijke afvalwatersanering door de gezinnen en de bedrijven die niet lozen in oppervlaktewater via de heffing op de waterverontreiniging en via de bovengemeentelijke saneringsbijdrage (excl. BTW) gestegen tot ongeveer 80 %, de BTW-lasten buiten beschouwing gelaten. Door de termijn waarbinnen de investeringen terugbetaald moeten worden aan de NV Aquafin van 15 jaar op 30 jaar te brengen, daalde de jaarlijkse vergoeding van de NV Aquafin. Hierdoor maakte het Vlaams Gewest budget vrij om gedurende 7 jaar jaarlijks 100 miljoen euro te investeren in gemeentelijke saneringsprojecten en om de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur te centraliseren bij Aquafin NV. Door de stijgende kosten verbonden aan de toenemende infrastructuur daalde de bijdrage van gezinnen en bedrijven in 2012 terug tot 68 %, een niveau dat ook in 2013 (67 %) en 2014 (68 %) behouden werd. In de periode 2006 – 2009 steeg het eenheidstarief van de heffing met 38 % en dat van de bovengemeentelijke bijdrage met 28 %, waarna beide tarieven tot en met het jaar 2014 de index volgden. In het jaar 2015 werd een stijging van het eenheidstarief van de heffing met 15 % en een stijging van het tarief van de bovengemeentelijke bijdrage met 26 % doorgevoerd. Door deze tariefstijgingen steeg de bijdrage van de gezinnen en bedrijven in de kosten voor de bovengemeentelijke afvalwatersanering opnieuw tot 75 % in 2015. In 2016 werd een uniforme tariefstructuur voor de integrale waterfactuur van kracht. Eén van de uitgangsprincipes bij de uitwerking van de tariefstructuur was budgetneutraliteit, waardoor de inkomsten uit de bijdrage van de gezinnen en bedrijven in de kosten van de bovengemeentelijke afvalwatersanering verhoudingsgewijs quasi gelijk gebleven is, m.n. 77 % in 2016. Daarna werden de tarieven voor de terugwinning van de bovengemeentelijke saneringskost opnieuw louter geïndexeerd, terwijl de bovengemeentelijke saneringskosten een vergelijkbare evolutie kenden, zodat ook de terugwinning van de kosten op eenzelfde niveau blijft: 77 % in 2017 en 78 % in 2018. Om de drinkwaterfactuur onder controle te houden voorziet het Vlaams Gewest eveneens in een financiële tussenkomst in de bovengemeentelijke saneringskosten. Sinds 2014 rekenen de drinkwatermaatschappijen aan de privaat waterwinnende bedrijven ook een bovengemeentelijke vergoeding aan voor de sanering van het afvalwater afkomstig van dit privaat gewonnen water. Voorheen verliep de aanrekening van de saneringskosten voor dit afvalwater via de heffing op waterverontreiniging, gevestigd door de VMM.

Ook de kosten voor de gemeentelijke sanering worden grotendeels gedragen door de gezinnen en bedrijven enerzijds en door het Vlaams Gewest anderzijds. Via de integrale drinkwaterfactuur werd in 2005 28 miljoen euro (excl. BTW) aan gemeentelijke bijdrage aangerekend aan de drinkwatergebruikers. In 2017 bedroeg de totale gefactureerde gemeentelijke bijdrage en vergoeding 416,2 miljoen euro, en in 2018 zelfs al 422,7 miljoen. Jaarlijks wordt ook een budget ter beschikking gesteld op het MINA-fonds voor de subsidiëring van de uitbouw van het gemeentelijk rioleringsnet en de gemeentelijke kleinschalige waterzuiveringsinstallaties. Dat budget bedroeg in totaal 123 miljoen euro voor 2017 en 2018, en voor 2019 wordt ook 123 miljoen euro voorzien.  

Op basis van de financiële rapportering[1] door de rioolbeheerders, kan nagegaan worden in welke mate de kosten voor het rioolbeheer gedekt worden door de opbrengsten uit de gemeentelijke saneringsbijdrage en -vergoeding, de gewestsubsidies en andere opbrengsten. De gemiddelde kostendekkingsgraad voor Vlaanderen bedroeg in 2018 137 %. Als we de gemeenten afzonderlijk bekijken in dat jaar, dan blijkt dat 83 % van de gemeenten kostendekkend is. 

Stijgende tarieven voor bijdrage aan sanering afvalwater

Globaal is de gemiddelde integrale drinkwaterprijs[2] in de periode 2005-2018, voor een gemiddeld gezin met een gemiddeld verbruik, met 110 % gestegen. Terwijl de prijs voor de productie en levering van drinkwater met ongeveer 48 % toenam en de bovengemeentelijke bijdrage een stijging van 69 % kende, steeg de gemeentelijke bijdrage in deze periode met 783 %. De stijging van de gemeentelijke saneringsbijdrage situeert zich vooral in de periode 2005-2008. In die periode werd doorgaans de gemeentelijke saneringsbijdrage ingevoerd en/of opgetrokken tot het niveau van de bovengemeentelijke bijdrage of tot op het maximumtarief (1,4*bovengemeentelijke bijdrage). In 2015 werd zowel voor de bovengemeentelijke als de gemeentelijke bijdrage een sterke stijging vastgesteld ten gevolge van de ingevoerde tariefstijgingen (+26 % voor de bovengemeentelijke bijdrage). Uiteraard dient dit te worden gezien in het licht van de enorme inspanningen die op gemeentelijk niveau nog geleverd moeten worden om te voldoen aan de Europese verplichtingen. De uitbouw en het beheer van de gemeentelijke saneringsinfrastructuur vormt één van de grootste milieu-uitdagingen voor Vlaanderen in de komende jaren. In de periode 2010-2018 steeg de integrale waterfactuur in Vlaanderen voor een gemiddeld gezin met een gemiddeld verbruik met 35 %. In 2018 heeft de productie en levering van drinkwater een aandeel van 44 % in de integrale waterfactuur, de gemeentelijke saneringsbijdrage is goed voor 32 % van de drinkwaterfactuur, de bovengemeentelijke saneringsbijdrage voor 24 %.

Kosten voor riolering

In het rapport “Kosten voor riolering, een blik vooruit” worden de resultaten van aantal scenariosimulaties met het vernieuwde gemeentelijk financieringsmodel gerapporteerd. Dat model berekent de beschikbare inkomsten en de nodige uitgaven voor de realisatie van maatregelen die de gemeentes nog moeten treffen inzake riolering. Er worden twee onderzoeksvragen behandeld: “Wat kunnen de rioolbeheerders realiseren met de huidige inkomsten?” en “Welk ambitieniveau kunnen de rioolbeheerders realiseren met extra inkomsten?”.

Met de huidige inkomsten, vooral afkomstig van de gemeentelijke saneringsbijdrage en -vergoeding van de waterfactuur en van gewestelijke subsidies, kunnen rioolbeheerders tegen 2027 maximaal tussen 1,5 en 3,3 miljard euro investeren in de verdere uitbreiding van het rioleringsstelsel zonder dat de financiële houdbaarheid in het gedrang komt; 1,5 miljard euro als ze ervoor kiezen om geen bijkomende leningen aan te gaan en 3,3 miljard euro als ze ervoor kiezen wel te lenen en geen financiële marges te voorzien voor vervanging van het stelsel na 2027. Op niveau Vlaanderen kunnen hiermee de rioleringsprojecten maximaal tot en met prioriteit 4 (van 12) gerealiseerd worden. Maar er zijn grote verschillen tussen de gemeentes onderling. Sommige rioolbeheerders hebben genoeg financiële draagkracht om alle rioleringsprojecten te realiseren terwijl andere onvoldoende middelen hebben om bijkomende uitbreidingsinvesteringen te doen. Een hogere bevolkingsdichtheid blijkt hand in hand te gaan met een betere financiële haalbaarheid van de uitbouw van het rioleringsstelsel. Naast de uitgaven voor uitbreiding van het rioleringsstelsel moet er ook rekening gehouden worden met de kosten van vervangingsinvesteringen en onderhoudskosten.

Voor de volledige uitbouw van het rioleringsstelsel conform de zoneringsplannen bedraagt de kost volgens de modelberekeningen 9,3 miljard euro. Hiervoor zijn extra inkomsten ten opzichte van het huidige inkomstenniveau nodig. De precieze omvang van die extra inkomsten is onder meer afhankelijk van het al dan niet inbouwen van een financiële marge voor toekomstige vervangingsinvesteringen en het al dan niet aangaan van bijkomende leningen. Bovendien volgt het noodzakelijke ambitieniveau, uit het behalen van de doelstelling opgenomen in de kaderrichtlijn Water en de richtlijn Stedelijk Afvalwater. De investeringsnood kan dus per rioolbeheerder verschillen en hoeft niet noodzakelijk samen te gaan met een volledig uitbouw van het rioleringsstelsel.

Mogelijkheden om de financiering van het rioolbeleid te optimaliseren zijn o.a. tariefregulatie en gewestsubsidies op basis van de financieringsnood en het ambitieniveau, solidarisering van de middelen tussen de rioolbeheerders, slimme technologische keuzes bij uitbouw en vervanging van de riolering en een optimaal financieel management.

Financierende heffing

Eind 2012 werd een financierende component van de heffing op waterverontreiniging ingevoerd voor bedrijven die hun afvalwater lozen op de riolering. Dit houdt in dat de verwerkbaarheid van het bedrijfsafvalwater door een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in rekening gebracht wordt bij de berekening van de heffing. Voor slecht verwerkbaar afvalwater moet extra betaald worden, voor goed verwerkbaar afvalwater niet. Voor complementair afvalwater, dat een gunstig effect heeft op de werking van een RWZI, wordt zelfs een korting in rekening gebracht.

Door een aanrekening van de veroorzaakte kosten via de financierende heffing wordt het principe van ‘de vervuiler betaalt’ toegepast. Om de transparantie van de aanrekening te verhogen, werd vanaf 2014 ook de integrale waterfactuur voor de bedrijven ingevoerd. Voor meer informatie over de financierende heffing: http://heffingen.be/gemeenschappelijk-landbouw-onderneming/nieuwe-maatregelen-vanaf-2013.

De aanrekening van de specifieke kosten voor de lozing van bedrijfsafvalwater op de openbare infrastructuur gebeurt via het afsluiten van een saneringscontract tussen een bedrijf en Aquafin NV. Deze contracten bestaan voor permanente lozingen, tijdelijke lozingen, noodlozingen en bronbemalingen. Via een saneringscontract voor een permanente lozing kunnen bedrijven waarvoor in principe een afkoppeling van de collectieve saneringsinfrastructuur aan de orde is, blijven lozen op de openbare saneringsinfrastructuur door de specifieke kosten te vergoeden die de zuivering van hun afvalwater veroorzaakt. De contracten voor tijdelijke lozingen en noodlozingen geven bedrijven die normaal op oppervlaktewater lozen de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden tijdelijk op de openbare infrastructuur te lozen.

 

 

[1] https://www.vmm.be/water/riolering/financiering/rapportering

[2] Bij een gemiddeld gezin van 2,3 gedomicilieerde personen met een gemiddeld leidingwaterverbruik van 72 m³.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid