Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Waterkwaliteit / Kosten openbare waterzuivering

Kosten van openbare waterzuivering

Drinkwatermaatschappijen leveren niet alleen drinkwater, ze moeten ook voorzien in collectieve maatregelen om het afvalwater te transporteren, te verzamelen en te zuiveren. Met het oog op het behoud van de kwaliteit van het geleverde drinkwater, zijn de drinkwatermaatschappijen immers saneringsplichtig. Hiermee werd een eerste aanzet gegeven tot het aanrekenen van een redelijke bijdrage in de kosten van de waterdiensten (incl. de hulpbron- en milieukosten) aan de gebruikers van deze diensten, een vereiste van de Europese kaderrichtlijn Water. Daarom betalen de verschillende gebruikers een bijdrage in de kosten van deze waterdienst via de integrale drinkwaterfactuur en/of de heffing op de waterverontreiniging.

De saneringsplicht van de drinkwatermaatschappijen betekent niet dat zij autonoom kunnen beslissen waar welke maatregelen genomen moeten worden. Via contracten tussen de drinkwatermaatschappijen enerzijds en de gemeenten en het Vlaams Gewest anderzijds worden de verantwoordelijkheden van de drinkwatermaatschappijen duidelijk gestipuleerd. In de contracten met de gemeenten worden concrete afspraken gemaakt over het inzamelen van het afvalwater omdat dit typisch de gemeentelijke saneringsverplichting uitmaakt. Voor het transport en het zuiveren van het afvalwater, de zogenaamde bovengemeentelijke saneringsverplichting, hebben de drinkwatermaatschappijen een contract afgesloten met Aquafin.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: juni 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Bob Peeters

Bijdrage van gezinnen en bedrijven in de kosten voor openbare waterzuivering

In 2010 was de bijdrage in de kosten voor de bovengemeentelijke afvalwatersanering door de gezinnen en de bedrijven die niet lozen in oppervlaktewater via de heffing op de waterverontreiniging en via de bovengemeentelijke saneringsbijdrage (excl. BTW) gestegen tot ongeveer 80 %, de BTW-lasten buiten beschouwing gelaten. Door de termijn waarbinnen de investeringen terugbetaald moeten worden aan de NV Aquafin van 15 jaar op 30 jaar te brengen, daalde de jaarlijkse vergoeding van de NV Aquafin. Hierdoor maakte het Vlaams Gewest budget vrij om gedurende 7 jaar jaarlijks 100 miljoen euro te investeren in gemeentelijke saneringsprojecten en om de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur te centraliseren bij Aquafin NV. Door de stijgende kosten verbonden aan de toenemende infrastructuur daalde de bijdrage van gezinnen en bedrijven in 2012 terug tot 68 %, een niveau dat ook in 2013 (67 %) en 2014 (68 %) behouden is. In de periode 2006 – 2009 steeg het eenheidstarief van de heffing met 38 % en dat van de bovengemeentelijke bijdrage met 28 %. Waarna beide tarieven tot en met het jaar 2014 de index volgden. In het jaar 2015 werd een stijging van het eenheidstarief van de heffing met 15 % en een stijging van het tarief van de bovengemeentelijke bijdrage met 26 % doorgevoerd. Door deze tariefstijgingen steeg de bijdrage van de gezinnen en bedrijven in de kosten voor de bovengemeentelijke afvalwatersanering opnieuw tot 75 % in 2015. In 2016 werd een uniforme tariefstructuur voor de integrale waterfactuur van kracht. Eén van de uitgangsprincipes bij de uitwerking van de tariefstructuur was budgetneutraliteit, waardoor de inkomsten uit de bijdrage van de gezinnen en bedrijven in de kosten van de bovengemeentelijke afvalwatersanering verhoudingsgewijs quasi gelijk gebleven is, m.n. 77 % in 2016. Om de drinkwaterfactuur onder controle te houden voorziet het Vlaams Gewest eveneens in een financiële tussenkomst in de bovengemeentelijke saneringskosten. Sinds 2014 rekenen de drinkwatermaatschappijen aan de privaat waterwinnende bedrijven ook een bovengemeentelijke vergoeding aan voor de sanering van het afvalwater afkomstig van dit privaat gewonnen water. Voorheen verliep de aanrekening van de saneringskosten voor dit afvalwater via de heffing op waterverontreiniging, gevestigd door de VMM.

Ook de kosten voor de gemeentelijke sanering worden grotendeels gedragen door de gezinnen en bedrijven enerzijds en door het Vlaams Gewest anderzijds. Via de integrale drinkwaterfactuur werd in 2005 28 miljoen euro (excl. BTW) aan gemeentelijke bijdrage aangerekend aan de drinkwatergebruikers. In 2016 bedroeg de totale gefactureerde gemeentelijke bijdrage en vergoeding al 405,2 miljoen euro. Jaarlijks wordt ook een budget ter beschikking gesteld op het MINA-fonds voor de subsidiëring van de uitbouw van het gemeentelijk rioleringsnet en de gemeentelijke kleinschalige waterzuiveringsinstallaties. Dat budget bedroeg in totaal 136 miljoen euro in 2016, 123 miljoen euro in 2017 en voor 2018 wordt tevens 123 miljoen euro voorzien.  

Op basis van de financiële rapportering[1] door de rioolbeheerders, kan nagegaan worden in welke mate de kosten voor het rioolbeheer gedekt worden door de opbrengsten uit de gemeentelijke saneringsbijdrage en -vergoeding, de gewestsubsidies en andere opbrengsten. De gemiddelde kostendekkingsgraad voor Vlaanderen bedraagt 127 %. Als we de gemeenten afzonderlijk bekijken, dan blijkt dat 81 % van de gemeenten kostendekkend is.

Stijgende tarieven voor bijdrage aan sanering afvalwater

Globaal is de gemiddelde integrale drinkwaterprijs[2] in de periode 2005-2016, voor een gemiddeld gezin met een gemiddeld verbruik, met 89 % gestegen. Terwijl de prijs voor de productie en levering van drinkwater met ongeveer 25 % toenam en de bovengemeentelijke bijdrage een stijging van 60 % kende, steeg de gemeentelijke bijdrage in deze periode met 730 %. De stijging van de gemeentelijke saneringsbijdrage situeert zich vooral in de periode 2005-2008. In die periode werd doorgaans de gemeentelijke saneringsbijdrage ingevoerd en/of opgetrokken tot het niveau van de bovengemeentelijke bijdrage of tot op het maximumtarief (1,4*bovengemeentelijke bijdrage). Uiteraard dient dit te worden gezien in het licht van de enorme inspanningen die op gemeentelijk niveau nog geleverd moeten worden om te voldoen aan de Europese verplichtingen. De uitbouw en het beheer van de gemeentelijke saneringsinfrastructuur vormt één van de grootste milieu-uitdagingen voor Vlaanderen in de komende jaren. In de periode 2010-2016 steeg de integrale waterfactuur in Vlaanderen voor een gemiddeld gezin met een gemiddeld verbruik met 21 %. In 2016 heeft de productie en levering van drinkwater een aandeel van 42 % in de integrale waterfactuur, de gemeentelijke saneringsbijdrage is goed voor 33 % van de drinkwaterfactuur, de bovengemeentelijke saneringsbijdrage voor 25 %.

Financierende heffing

Eind 2012 werd een financierende component van de heffing op waterverontreiniging ingevoerd voor bedrijven die hun afvalwater lozen op de riolering. Dit houdt in dat de verwerkbaarheid van het bedrijfsafvalwater door een openbare waterzuiveringsinstallatie (RWZI) in rekening gebracht wordt bij de berekening van de heffing. Voor slecht verwerkbaar afvalwater moet extra betaald worden, voor goed verwerkbaar afvalwater niet. Voor complementair afvalwater, dat een gunstig effect heeft op de werking van een RWZI, wordt zelfs een korting in rekening gebracht.

Door een aanrekening van de veroorzaakte kosten via de financierende heffing wordt het principe van ‘de vervuiler betaalt’ toegepast. Om de transparantie van de aanrekening te verhogen, werd vanaf 2014 ook de integrale waterfactuur voor de bedrijven ingevoerd. Voor meer informatie over de financierende heffing: http://heffingen.be/gemeenschappelijk-landbouw-onderneming/nieuwe-maatregelen-vanaf-2013.

De aanrekening van de specifieke kosten voor de lozing van bedrijfsafvalwater op de openbare infrastructuur gebeurt via het afsluiten van een saneringscontract tussen een bedrijf en Aquafin NV. Deze contracten bestaan voor permanente lozingen, tijdelijke lozingen, noodlozingen en bronbemalingen. Via een saneringscontract voor een permanente lozing kunnen bedrijven waarvoor in principe een afkoppeling van de collectieve saneringsinfrastructuur aan de orde is, blijven lozen op de openbare saneringsinfrastructuur door de specifieke kosten te vergoeden die de zuivering van hun afvalwater veroorzaakt. De contracten voor tijdelijke lozingen en noodlozingen geven bedrijven die normaal op oppervlaktewater lozen de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden tijdelijk op de openbare infrastructuur te lozen.

 

 

[1] https://www.vmm.be/water/riolering/financiering/rapportering

[2] Bij een gemiddeld gezin van 2,33 gedomicilieerde personen met een gemiddeld leidingwaterverbruik van 84m³.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid