Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Luchtkwaliteit / Emissie van Ozonprecursoren

Emissie van ozonprecursoren naar lucht

Deze indicator toont het tijdsverloop van de emissie van de ozonprecursoren stikstofoxide (NOx), niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS), koolstofmonoxide (CO) en methaan (CH4) in Vlaanderen.

Ozon geldt als representatieve stof voor de fotochemische luchtverontreiniging. Het heeft een sterk oxiderende werking en is schadelijk voor mensen, planten en materialen. Ozon ontstaat in de troposfeer onder invloed van zonlicht op warme dagen in aanwezigheid van de zogenaamde ozonprecursoren: NOx, NMVOS en in geringere mate CO en CH4.

De verschillende ozonprecursoren hebben een verschillend ozonvormend vermogen en dit vermogen is bovendien niet constant maar kan sterk verschillen naargelang de weersomstandigheden, de concentraties van de andere precursoren, enz. Daarom worden de verschillende ozonprecursoren niet meer gesommeerd maar afzonderlijk beschouwd. Bij benadering hebben CO en CH4 een ozonvormend vermogen dat respectievelijk 1 en 2 grootteorden lager is dan dat van NOx en NMVOS. Omwille van dit groot verschil in bijdrage spitst de bespreking in deze indicator zich toe op de NOx- en NMVOS-emissie en wordt het emissieverloop van CO en CH4 enkel cijfermatig weergegeven in de figuur.

Doordat het ozonvormend vermogen afhankelijk is van een aantal factoren, is er ook geen lineair verband tussen de hoeveelheid geëmitteerde precursoren en de resulterende ozonvorming. In sommige omstandigheden is de relatie zelfs omgekeerd evenredig (bijvoorbeeld het weekendeffect).

NOx en NMVOS spelen naast hun rol als ozonprecursor ook een rol bij de vorming van secundair fijn stof. NOx-emissie maakt ook deel uit van de potentieel verzurende en vermestende emissie. CH4 speelt als broeikasgas een rol bij de klimaatverandering.

Evaluatie: Icon neutraal
Laatst bijgewerkt: februari 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Hugo Van Hooste

Doelstellingen

In het laatst opgemaakte Vlaamse milieubeleidsplan MINA-plan 4 (2011-2015) zijn voor  NOx  en NMVOS doelstellingen opgenomen tegen 2015. De emissiedoelstellingen 110,4 kton voor NOx  en 67,9 kton voor NMVOS (exclusief bijdrage natuur en tuinen).

De amendering van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL) (27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor de stationaire bronnen, voor de niet-stationaire bronnen dient deze verdeling nog te gebeuren. Voor Vlaanderen bedragen de plafonds voor stationaire bronnen 56,9 kton voor NOx en 63,5 kton voor NMVOS. De Belgische plafonds voor niet-stationaire bronnen bedragen 68 kton voor NOx en 15 kton voor NMVOS.

Ter vervanging van de NEC-richtlijn werd op 14/12/2016 een nieuwe Europese richtlijn gepubliceerd, de 'Richtlijn 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen'. Deze richtlijn dient door de lidstaten uiterlijk tegen 1 juli 2018 in de regelgeving opgenomen. Een belangrijk verschil met de vroegere NEC-richtlijn is dat de doelstellingen niet meer als een absoluut plafond zijn uitgedrukt, maar als een procentuele emissiereductie t.o.v. 2005, en dit voor de periode 2020-2029 en voor de periode vanaf 2030. In de herziene NEC-richtlijn worden de NMVOS-emissies afkomstig van mestgebruik uitgesloten van het toepassingsgebied van de reductiedoelstellingen.

In uitvoering van deze richtlijn heeft de Vlaamse Regering op 20 juli 2018 een ontwerp van Luchtbeleidsplan goedgekeurd. Volgens dit Luchtbeleidsplan moeten de Vlaamse emissies van NOx en NMVOS tegen 2020 met respectievelijk 42 % en 22 % verminderd worden t.o.v. het jaar 2005. Dit vertaalt zich naar absolute emissieplafonds van 100,3 kton NOx en 73,1 kton NMVOS in 2020. De reductiepercentages en absolute emissieplafonds tegen 2030 bedragen respectievelijk 59 % en 71,8 kton voor NOx,  37 % en 58,8 kton voor NMVOS.

Emissie ozonprecursoren daalt maar gunstige trend zwakt af

Van 1990 tot 2016 daalde de emissies van ozonprecursoren quasi constant. De NMVOS- en NOx -emissies namen af met respectievelijk met 62 % en 53 % tussen 1990 en 2016 en met 43 % en 44 % tussen 2000 en 2016. De emissies van CO en CH4 kenden reducties van 57 % en 30 % tussen 1990 en 2016 en 36 % en 23 % tussen 2000 en 2016. De laatste jaren zijn deze gunstige dalende trends evenwel sterk afgezwakt.

Transport verantwoordelijk voor ruim de helft van NOx-emissie

De sector transport is veruit de belangrijkste sector voor wat betreft de NOx-emissie met een aandeel van 51 % in 2016.  Deze sector is er wel in geslaagd om de NOx-emissie fors te reduceren (in 2016 een reductie van 51 % t.o.v. 1990 en 40 % t.o.v. 2000). Dit vooral als gevolg van de alsmaar strengere EURO-emissienormen voor de diverse voertuigen. Dieselwagens stoten meer NOx uit dan benzinewagens. Het grote aandeel dieselwagens in het personenwagenpark heeft dus een negatieve invloed op de NOx-emissie. Het luchtkwaliteitsplan voor NO2, dat op 30 maart 2012 werd goedgekeurd, streeft door een aantal maatregelen naar een verlaging van het aandeel dieselwagens. In 2011-2012 was dit aantal dieselwagens het hoogst met 62,5 %. Daarna daalde dit percentage met mondjesmaat tot 59 % in 2016. Meer informatie over de specifieke maatregelen om de NOx-emissie van de sectortransport te doen dalen is te vinden in de indicator ‘Emissie van luchtpolluenten door transport: NOx, NMVOS, PM2,5 en SO2.

De sector industrie heeft de tweede grootste bijdrage aan de NOx-emissie (22 % in 2016). De emissie daalde tijdens de financieel-economische crisis in 2008-2009. In 2010 trok de economie terug aan met stijgende NOx-emissies tot gevolg. Na 2010 kende de industriële NOx-uitstoot een schommelend verloop met als laagste emissie 23,5 kton (in 2012) en hoogste 26,6 kton (in 2013).  De deelsector chemie is verantwoordelijk voor bijna de helft van de NOx-emissie (47 % in 2016). De chemie kan de laatste jaren de NOx-emissie op hetzelfde peil houden ondanks een productiestijging. Dit kan o.a. toegeschreven worden aan maatregelen als gevolg van de Milieubeleidsovereenkomst (9 juli 2009) tussen de overheid en de chemische federatie. Ook met de glasindustrie werd in 2009 een MBO afgesloten voor NOx-emissiereductie. Meer informatie over de industriële NOx-emissie is te vinden in de indicator ‘Emissie van verzurende stoffen naar lucht door de industrie’.

De emissies van de sectoren landbouw en energie hebben een aandeel van respectievelijk 10 % en 9 %. Bij de sector energie werd een aanzienlijke emissiereductie gerealiseerd (- 76% tussen 2000 en 2016), dit vooral als gevolg van maatregelen om te voldoen aan de strengere emissieplafonds vastgelegd in diverse Milieubeleidsovereenkomsten. Zie hiervoor indicator ‘Emissie van verzurende stoffen door de energiesector’ voor meer informatie.

De NOx-emissies van de huishoudens en handel en diensten zijn beperkt in aandeel (6 % en 2 %) en zijn vooral gerelateerd aan de verwarmingsbehoefte.

Industrie de grootste bron van NMVOS-emissie, gevolgd door landbouw en huishoudens 

De totale uitstoot van NMVOS nam geleidelijk af en ligt in 2016 respectievelijk 62 % en 43 % lager dan in 1990 en in 2000. De emissiedaling is wel minder uitgesproken in de laatste jaren.

De industriesector heeft met 28 % (23,1 kton) in 2016 het grootste aandeel in de NMVOS-emissie. De scheikundige nijverheid is de belangrijkste deelsector met 43 % (10 kton) van de industriële NMVOS-emissiebron. De industriële NMVOS-emissie daalde sterk tussen 1990 en 2016 (-76 %). Dit door de verdere optimalisatie van het productieproces, end-of-pipe technieken, verbetering van de energie-efficiëntie en beheersing van de diffuse emissies (lekverliezen van apparaten en leidingen) als gevolg van het Vlaamse Nationale Emissiemaxima (NEM)-reductieprogramma. Ook de Europese richtlijn 2004/42/EG droeg bij tot de emissieverlaging door het aan banden leggen van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven, vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen. Voor meer info, zie indicator: Industriële NMVOS-emissie naar de lucht.

De tweede grootste sectorbijdrage in de NMVOS-emissie komt van de landbouw (17,4 kton of bijna 21 % in 2016). Veruit de belangrijkste emissiebron binnen de landbouw (ruim 84 %) is de stalling en de mestopslag van varkens, rund- en pluimvee. De NMVOS-emissie door de landbouw kent over de volledige periode een nagenoeg vlak tijdsverloop.

De huishoudens leveren de derde grootste bijdrage tot de NMVOS-emissies (16,1 kton of ruim 19 % in 2016). De huishoudelijke NMVOS-emissie blijft min of meer status quo. De emissiebronnen zijn tweeërlei: enerzijds het gebruik van oplosmiddel houdende producten zoals lijmen, verven, reinigingsmiddelen, cosmeticaproducten en anderzijds de verbranding van fossiele brandstoffen bij de gebouwenverwarming.

De sectoren transport, energie en handel & diensten hebben beperkte aandelen in de totale NMVOS-emissie (respectievelijk 5 %, 5 % en 2 % in 2016). De emissies van transport zijn de afgelopen jaren sterk gereduceerd onder invloed van de verstrenging van de EURO-emissienormen voor voertuigen. Deze van de energiesector, vooral van de petroleumraffinaderijen zijn verminderd door productieoptimalisatie, energie efficiëntieverbetering en afdoende beheersing van diffuse emissies.

Emissies ozonprecursoren dienen globaal te dalen

In Vlaanderen heerst een NMVOS-gevoelig ozonregime, wat betekent dat de ozonconcentratie grotendeels bepaald wordt door de ozonafbraak via NO. Een vermindering van de NMVOS-concentratie leidt steeds tot minder ozon. Een geringe vermindering van de NOx-concentratie in Vlaanderen leidt net tot meer ozon, doordat minder NO beschikbaar is voor de ozonafbraak. Meer informatie over de ozonchemie is te vinden in de indicator ‘Jaargemiddelde ozonconcentratie in omgevingslucht’. Om de ozonconcentratie duurzaam te doen dalen is daarom een aanzienlijke en globale emissieverlaging van de precursoren nodig.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid