Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Luchtkwaliteit / Ozondosis bij vegetatiesoorten

Ozondosis (PODy) van verschillende vegetatiesoorten

Deze indicator geeft de schade van ozon op vegetatie weer aan de hand van de PODY: de fytotoxische ozondosis of de geaccumuleerde stomatale opname van ozon boven een bepaalde drempelwaarde Y. De indicator beschrijft de ozondosis die effectief door de plant via de huidmondjes of stomata opgenomen wordt tijdens een bepaalde periode (bv. het groeiseizoen). Deze dosis, en  dus ook het toxische effect op de plant, hangt zowel af van de plantensoort als van een aantal omstandigheden zoals de lichtintensiteit, de luchtvochtigheid, de bodemvochtigheid, de temperatuur en het stadium van het groeiproces  van de plant. Bij warm en droog weer bijvoorbeeld zijn de ozonconcentraties over het algemeen hoger, maar sluiten de huidmondjes van de plant zich om vochtverlies te vermijden, waardoor de opgenomen ozondosis toch beperkt kan blijven. Deze indicator wordt daarom als een betere indicator beschouwd voor het inschatten van ozonschade aan vegetatie dan de AOT40ppb-vegetatie, die enkel rekening houdt met de ozonconcentratie in de atmosfeer (troposfeer).

Evaluatie:
Laatst bijgewerkt: juni 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Line Vancraeynest

Te hoge ozondosis in 2016 voor een groot deel van de akkergewassen en loofbossen

De fytotoxische ozondosis kan via modellering op 2 manieren berekend worden. Ofwel wordt de berekening gedetailleerd uitgevoerd voor specifieke gewassen of plantgroepen (tarwe, aardappel, spar…). In deze indicator wordt een iets vereenvoudigde aanpak gebruikt waarbij de ozondosis voor een generieke receptor gemodelleerd wordt, die representatief is voor een bepaald vegetatietype (hier: akkergewas en loofbos).

De berekende ozondosissen worden vergeleken met receptorspecifieke kritieke niveaus om na te gaan of de limietwaarde voor een bepaald schadelijk effect al dan niet overschreden werd.

De hier voorgestelde resultaten zijn gebaseerd op modelberekeningen met het DO3SE-model (Deposition of O3 for Stomatal Exchange) gekoppeld aan een chemisch transportmodel (CHIMERE) in combinatie met meteorologische gegevens van ECMWF (European Center for Midrange Weather Forecast).

Voor het generieke vegetatietype akkergewas (met tarwe als meest gevoelige gewas voor ozon) wordt uitgegaan van een kritiek niveau van 7,9 mmol/m2 bladoppervlak. Dit kritiek niveau komt overeen met een opbrengstverlies van 5 % voor graan.

Uit de spreidingskaart van 2016 blijkt dat de akkergewassen in een groot deel van Vlaanderen negatieve effecten hebben ondervonden van ozon. Vooral in het oosten van Vlaanderen zijn de grootste ozonfluxen zichtbaar. Enkel aan de kust en in de polderstreek bleven de waarden onder het kritieke niveau.

Voor het generieke vegetatietype loofbos (gebaseerd op beuk, berk en eik) wordt een kritiek niveau van 5,7 mmol/m2 bladoppervlak beschouwd. Dit kritiek niveau komt overeen met 4 % vermindering  van de jaarlijkse biomassa-aangroei.

Uit de spreidingskaart van 2016 blijkt dat de bossen in heel Vlaanderen negatieve effecten hebben ondervonden van ozon. Overal liggen de waarden boven het kritieke niveau en in het oosten van Vlaanderen worden de hoogste ozonfluxen genoteerd.

Deze indicator geeft een duidelijk negatiever beeld van de impact van ozon op vegetatie dan de indicatoren Seizoensoverlast voor vegetatie (AOT40ppb-vegetatie) en Seizoensoverlast voor bossen (AOT40ppb-bossen).

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid