Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Luchtkwaliteit / Precursoren fijn stof

Emissie van precursoren van fijn stof

Fijn stof in de lucht bestaat uit primair en secundair fijn stof. Primaire deeltjes worden rechtstreeks uitgestoten in de atmosfeer. Secundaire deeltjes ontstaan door chemische reacties van gasvormige precursoren zoals NH3, SO2 en NOx. Ook (niet-methaan) vluchtige organische stoffen (NMVOS) komen tussen in de vorming van secundair fijn stof, zij het in mindere mate. Uit deze gassen of de reactieproducten ervan kunnen anorganische of organische aerosolen gevormd worden door de vorming van nieuwe deeltjes of door hechting aan reeds bestaande deeltjes. Uit analyses van de chemische samenstelling van fijn stof in Vlaanderen blijkt dat de secundaire anorganische fractie ontstaan uit omzettingen van NH3, NOx en SO2    30-40 % uitmaakt van de massa van PM10. Het exacte aandeel is onder meer afhankelijk van de meteorologische omstandigheden, de specifieke locatie en de import uit het buitenland.

Evaluatie:
Laatst bijgewerkt: oktober 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Hugo Van Hooste

Doelstellingen

In het laatst opgemaakte Vlaamse milieubeleidsplan MINA-plan 4 (2011-2015) zijn voor de verzurende polluenten en voor NMVOS doelstellingen opgenomen tegen 2015. De emissiedoelstellingen zijn 49,4 kton voor SO2, 45 kton voor NH3, 110,4 kton voor NOx  en 67,9 kton voor NMVOS. 

De amendering van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL) (27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor de stationaire bronnen, voor de niet-stationaire bronnen dient deze verdeling nog te gebeuren. Voor Vlaanderen bedragen de plafonds voor stationaire bronnen 56,9 kton voor NOx, 41,2 kton voor NH3, 44,5 kton voor SO2 en 63,5 kton voor NMVOS. De Belgische plafonds voor niet-stationaire bronnen bedragen 68 kton voor NOx, 1 kton voor NH3, 1 kton voor SO2 en 15 kton voor NMVOS.

Ter vervanging van de NEC-richtlijn werd op 14/12/2016 een nieuwe Europese richtlijn gepubliceerd, de 'Richtlijn 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen'. Deze richtlijn dient door de lidstaten uiterlijk tegen 1 juli 2018 in de regelgeving opgenomen. Een belangrijk verschil met de vroegere NEC-richtlijn is dat de doelstellingen niet meer als een absoluut plafond zijn uitgedrukt, maar als een procentuele emissiereductie t.o.v. 2005, en dit voor de periode 2020-2029 en voor de periode vanaf 2030.

In uitvoering van deze richtlijn heeft de Vlaamse Regering op 20 juli 2018 een ontwerp van Luchtbeleidsplan goedgekeurd. Volgens dit Luchtbeleidsplan moeten de Vlaamse emissies van NOx, SO2, NH3 en NMVOS tegen 2020 met respectievelijk 42 %, 55 %, 7 % en 22 % verminderd worden t.o.v. het jaar 2005. Dit vertaalt zich naar absolute emissieplafonds van 100,3 kton NOx,  43,9 kton SO2, 40,5 kton NH3 en 73,1 kton NMVOS in 2020. De reductiepercentages en absolute emissieplafonds tegen 2030 bedragen respectievelijk 59 % en 71,8 kton voor NOx,  66 % en 32,5 kton voor SO2, 12 % en 38,3 kton voor NH3 en 37 % en 58,8 kton voor NMVOS.

Sterke emissiedaling voor SO2, NOx en NMVOS. Emissie NH3 laatste 10 jaar ongewijzigd

De totale emissie van SO2 daalde in de periode 2000-2016 het meest, namelijk met 73 %. Alle sectoren leverden een emissie reducerende bijdrage. In 2000 was de sector energie verantwoordelijk voor 46 % van de SO2-uitstoot, de sector industrie voor 34 %. De sector energie reduceerde haar uitstoot fors tussen 2000 en 2016 (- 80 %). In 2016 was de industrie de voornaamste bron met 47 %.

In 2000 was transport verantwoordelijk voor 47 % van de NOx-uitstoot. Ook de sectoren energie (21 %) en industrie (18 %) hadden een aanzienlijk aandeel. De uitstoot van NOx daalde tussen 2000 en 2016, met 44 %. Vooral de sector energie verminderde zijn emissies sterk (- 76 % tussen 2000 en 2016). In 2016 bleef de sector transport de belangrijkste bron van NOx-emissies met een aandeel van 51 %.

De NH3-emissie verminderde met 32 %, vooral door een reductie in de periode 2000-2006. De laatste 10 jaar blijft de NH3-emissie ongeveer op hetzelfde niveau. De emissies van de landbouw bepalen het verloop van de totale NH3-emissie. Deze sector is verantwoordelijk voor het overgrote deel van de totale NH3-emissie, bijna 95 % in 2016.

De uitstoot van NMVOS daalde tussen 2000 en 2016 met 43 %. In 2000 was de industrie verantwoordelijk voor 42 % van de emissies, in 2016 nog voor 28 %. De sectoren huishoudens en landbouw leveren in 2016 een bijdrage van 19 % en 21 %. De emissies van de sectoren transport, energie en industrie zijn fors gereduceerd met - 76 %, - 68 % en - 62 % tussen 2000 en 2016. De emissie van de huishoudens kent een schommelend verloop en ligt in 2016 zelfs 8 % hoger dan in 2000. De landbouwemissies, vooral door de mestopslag, bleven in de periode 2000 – 2016 vrij constant (- 2 % in 2016 t.o.v. 2000). 

Naar maatregelen toe daalde de emissie van vooral SO2 en in mindere mate NOx bij de sectoren industrie en energie onder invloed van normeringen en milieubeleidsovereenkomsten (MBO’s) in de energiesector, de chemie en keramische nijverheid, door omschakeling naar laag zwavelhoudende brandstoffen en rendementsverhogende technieken (zie ook indicatoren: ‘emissies van verzurende stoffen door de industrie’; ‘emissies van verzurende stoffen door de energiesector’).

Voor de sector transport waren vooral de steeds strengere emissienormen voor voertuigen en de verlaging van het zwavelgehalte van de brandstoffen van belang bij de emissiereductie van SO2 en NOx (zie indicator ‘emissie van luchtpolluenten door transport’).

Bij de landbouw daalde de NH3- en NOx-emissie sinds 2000 door de afbouw van de veestapel, de lagere stikstofinhoud van het veevoeder, de emissiearme aanwending van dierlijke mest op akkers en weiden, de bouw van emissiearme stallen en de toenemende mestverwerking. Na 2007 stagneerde de emissie, omdat de licht stijgende veestapel, de mestverwerking en de uitbreiding van emissiearme stallen elkaar in evenwicht hielden (zie indicator ‘verzurende emissie door de landbouw’).

De inventarisatie van de NMVOS-emissie werd in 2016 aangepast naar aanleiding van Europese voorschriften (EMEP/EEA Guidebook 2013). Daardoor zijn de NMVOS-emissies van mestopslag en van productie van gewassen voor het eerst mee gerapporteerd bij de sector landbouw. Vooral het opnemen van de mestopslagemissies (85 % van de NMVOS- landbouwemissies in 2016) leidt tot een aanzienlijke verhoging van de NMVOS-emissies over de ganse tijdsreeks en kent een vlak verloop. Voor toetsing van de NMVOS-emissies aan de doelstellingen van het Luchtbeleidsplan dienen deze emissie van mestverwerking evenwel niet te worden meegenomen.

De emissiedoelen 2015 van het MINA-plan 4 werden reeds gehaald voor SO2 (vanaf 2010) en NH3 (vanaf 2004). Het emissieplafond voor NOx van 110,4 kton werd in 2015 net niet bereikt  (113,6 kton) maar wel in 2016 (108,1 kton). Wanneer we voor NMVOS de mestverwerkingsemissies uitsluiten van het toepassingsgebied van de reductiedoelstellingen (zoals gesteld in het Luchtbeleidsplan) dan wordt het doel uit MINA-4 van 67,9 kton net niet  gehaald in 2015 en 2016 (68,6 kton en 68,7 kton). Meer informatie over het halen van de doelstellingen voor de verschillende stofprecursoren vindt men bij de indicatoren ‘potentieel verzurende emissie’ en ‘emissie van NMVOS naar lucht’.

Een aantal zaken zijn van belang bij het bepalen van de bijdrage van de verschillende stofprecursoren aan de vorming en de impact van fijn stof. De afstand waarover de polluenten getransporteerd worden in de atmosfeer beïnvloeden mee de vorming van secundair fijn stof. Die afstand is afhankelijk van de meteorologische omstandigheden, maar ook van de hoogte van uitstoot en dus van het soort bron. Bepaalde polluenten zoals NH3 reageren sneller, terwijl NOx en SO2 eerder over grotere afstanden getransporteerd worden alvorens te reageren. Dit kan ook de impact van het gevormde fijn stof op de gezondheid beïnvloeden. Als fijn stof pas gevormd wordt op plaatsen met een geringere bevolkingsdichtheid zal de impact op de volksgezondheid kleiner zijn. Het belang van de verschillende stofprecursoren is ook anders indien PM10 dan wel PM2,5 beschouwd wordt. De anorganische componenten ammonium en sulfaat bevinden zich volledig in de kleinere fractie PM2,5, terwijl nitraat zich voor een deel ook in de grovere fractie tot PM10 bevindt.
In een studie van Amann et al. (2014) werd de gezondheidsimpact berekend in de EU als gevolg van de uitstoot van primair PM2,5 en de stofprecursoren in België. Er werd rekening gehouden met de bijdrage van de verschillende polluenten  aan de concentratie van PM2,5, niet met een mogelijk verschillende toxiciteit van de verschillende stoffen. De impact op vroegtijdige sterfte door blootstelling aan PM2,5 is ongeveer een factor 2 hoger voor de uitstoot van primair PM2,5 dan voor SO2, ongeveer een factor 3 hoger dan voor NH3, een factor 20 hoger dan voor NOx en een factor 50 hoger dan voor NMVOS.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid