Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Luchtkwaliteit / Jaar- en daggemiddelde PM10-concentratie

Jaar- en daggemiddelde PM10-concentratie in lucht

Fijn stof (PM = Particulate Matter) is een mengsel van vloeibare of vaste deeltjes met uiteenlopende samenstelling en afmetingen. Hier bespreken we de PM10-deeltjes, die een diameter kleiner dan 10 µm hebben.

Primaire PM10-stofdeeltjes worden rechtstreeks uitgestoten in de lucht door voornamelijk huishoudens (houtstook), verkeer, industrie en land- en tuinbouw. Daarnaast kan er ook secundair stof gevormd worden uit voorloperstoffen. Samen resulteren ze in een bepaalde concentratie van PM10-deeltjes in de lucht. Een gedeelte van de PM10-deeltjes in Vlaanderen is afkomstig van het buitenland, want fijn stof kan zich over lange afstanden verplaatsen.

Het inademen van PM10-deeltjes kan schade toebrengen aan de gezondheid (o.a. ademhalingsmoeilijkheden). Fijn stof kan zelfs leiden tot kanker. Fijn stof kan ook een rol spelen in de klimaatverandering: naargelang de samenstelling kan het zowel voor afkoeling als voor opwarming zorgen. Fijn stof draagt ook bij tot de verzurende en vermestende depositie.

Deze indicator toont de jaargemiddelde concentratie PM10, als maat voor de langetermijnblootstelling, en de daggemiddelde concentratie PM10, wat een beeld geeft van de kortetermijnblootstelling en de piekconcentraties.

Evaluatie: Icon neutraal
Laatst bijgewerkt: januari 2020
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Greet De Coster

Doelstellingen voor PM10-concentraties

Voor de bescherming van de menselijke gezondheid definieert de Europese Richtlijn Luchtkwaliteit 2008/50/EG grenswaarden voor de concentratie aan luchtpolluenten in de omgevingslucht. De jaargrenswaarde voor de PM10-concentratie bedraagt 40 µg/m³ en geldt sinds 2005. De daggrenswaarde schrijft voor dat een daggemiddelde hoger dan 50 µg/m³ maximaal 35 dagen per jaar mag voorkomen.

De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) heeft ook een jaar- en dagadvieswaarde vastgelegd voor de PM10-concentratie (jaar: 20 µg/m³; dag: maximaal 3 dagen per jaar > 50 µg/m³). De WGO-advieswaarden zijn strenger dan de EU-grenswaarden, omdat de WGO zich louter baseert op gezondheidseffecten en geen rekening houdt met economische en technische haalbaarheid, zoals de EU-grenswaarden wel doen. Het Luchtbeleidsplan 2030 streeft ernaar om in Vlaanderen tegen 2050 te voldoen aan de WGO-advieswaarden.

Stagnatie van PM10-concentratie na jarenlange daling

De meetplaatsen voor PM10 worden ingedeeld in verschillende subtypes naargelang hun locatie. Figuur 1 en 2 tonen een forse daling van het jaar- en daggemiddelde in de periode 1996-2015 in alle typegebieden. Vanaf 2016 stagneerde deze trend. In 2018 was er zelfs sprake van een lichte stijging voor het jaargemiddelde in alle typegebieden. Het jaar 2018 was erg droog, wat waarschijnlijk voor minder uitwassing van fijn stof en meer resuspensie (heropwaaien) heeft gezorgd. Het jaar- en daggemiddelde is het hoogst op stedelijke locaties en het laagst in landelijke gebieden.

De dalende trend t.e.m. 2015 houdt ongetwijfeld verband met de afnemende emissie van primaire PM10-deeltjes en van precursoren van secundair fijn stof. Ook die emissies vertonen de laatste jaren weinig tot geen verbetering (zie de indicatoren Emissie van primair fijn stof en Emissie van precursoren van fijn stof). Daarnaast beïnvloeden de weersomstandigheden en buitenlandse bronnen de PM10-concentratie in Vlaanderen.

In 2003 waren de jaar- en daggemiddelde concentraties opvallend hoog in alle typegebieden. In dat jaar waren de weersomstandigheden ongunstig voor fijn stof door uitzonderlijk veel oostenwind, die zorgde voor de aanvoer van fijn stof van over het Europese continent, lange droge periodes en een zeer warme zomer. Sinds 2008 respecteren alle meetplaatsen de Europese PM10-jaargrenswaarde van 40 µg/m³; sinds 2014 is dit ook het geval voor de daggrenswaarde (maximaal 35 dagen per jaar > 50 µg/m³). In 2018 werd de WGO-jaaradvieswaarde van 20 µg/m³ op slechts één (landelijke) meetplaats gerespecteerd; de WGO-dagadvieswaarde (maximaal 3 dagen per jaar > 50 µg/m³) werd op alle meetplaatsen overschreden.

Gemodelleerde concentraties hoogst nabij Gentse en Antwerpse industrie

Op plaatsen waar er geen meetresultaten beschikbaar zijn, schat de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) de concentraties in aan de hand van rekenkundige modellen. Voor PM10 gebruikt de VMM het ATMO-Street-model. Dit model is een combinatie van de RIO-interpolatietechniek, het IFDM-dispersiemodel en de straatmodule OSPM. ATMO-Street berekent de luchtkwaliteit op basis van de gemeten concentraties en het landgebruik (RIO), meteorologische gegevens en de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen (IFDM) en houdt rekening met de effecten van street canyons (OSPM).

Figuur 3 geeft weer dat in 2018 de jaargemiddelde PM10-concentratie het hoogst was in de Gentse kanaalzone, de Antwerpse agglomeratie en de Antwerpse haven. Nagenoeg in heel Vlaanderen werd de Europese jaargrenswaarde van 40 µg/m³ gerespecteerd, behalve nabij enkele industriële puntbronnen in de Gentse kanaalzone en de Antwerpse haven. Het model schat dan ook dat niemand in Vlaanderen in 2018 in een gebied woonde met PM10-concentraties hoger dan de Europese grenswaarde.

Toetsing aan de WGO-advieswaarden geeft echter een heel ander beeld. Volgens het model woonde 80 % van de bevolking in 2018 in een gebied waar de WGO-jaaradvieswaarde (20 µg/m³) werd overschreden (Figuur 4). Enkel in het zuiden van de provincies Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en Limburg, aan de kust en in het westen van de provincie West-Vlaanderen wordt de WGO-jaaradvieswaarde gerespecteerd. Nog volgens het model werd 97 % van de Vlaamse bevolking blootgesteld aan te veel dagen met hoge fijn stof concentraties bij toetsing aan de WGO-dagadvieswaarde (maximaal 3 dagen met een gemiddelde boven 50 µg/m³ toegestaan) (zie indicator Blootstelling bevolking aan fijn stof).

Maatregelen bij verhoogde fijn stof concentraties

Sterk verhoogde (primaire) PM10-concentraties kunnen enerzijds voorkomen tijdens de winter (‘wintersmog’) wanneer er weinig wind is en een warme luchtlaag bovenop koudere lucht dichter bij de grond ligt (temperatuursinversie). Hierdoor zit de vervuiling in de onderste luchtlaag gevangen en kan ze zich niet verspreiden. Anderzijds, wanneer ammoniak, afkomstig van de bemesting van akkers, reageert met stikstofoxiden, uitgestoten door het verkeer, kan dit ook aanleiding geven tot (secundaire) PM10-concentratiepieken, vooral bij zonnige, windstille dagen en koude nachten. Dit gebeurt typisch in de lente, vandaar de naam ‘lentesmog’. Te veel fijn stof kan tenslotte ook voorkomen wanneer de wind veel fijn stof aanvoert vanuit buitenlandse regio’s. Dit fijn stof komt dan bovenop de Vlaamse uitstoot.

Wanneer de gemiddelde gemeten PM10-concentratie van de laatste 24 uur in één van de gewesten hoger is dan 50 µg/m³, wordt een informatiebericht uitgestuurd waarin mensen die gevoelig zijn voor luchtvervuiling (o.a. kinderen, bejaarden en astmapatiënten) afgeraden wordt om zware lichamelijke inspanningen te leveren. Wordt deze informatiedrempel overschreden en wordt er geen verbetering van de luchtkwaliteit voorspeld binnen de 24 uur, adviseert de VMM de bevolking om geen hout te stoken als bijverwarming of voor sfeerdoeleinden (‘stookadvies’). Wanneer de gemiddelde voorspelde PM10-concentratie over Vlaanderen gedurende twee opeenvolgende dagen hoger is dan 70 µg/m³, treedt het smogalarm in werking. Dit houdt een snelheidsverlaging tot 90 km/u in op bepaalde delen van de snelwegen nabij dorpskernen en bewoning. In 2018 werd de informatiefase drie keer bereikt; het stookadvies werd tweemaal afgekondigd. Het laatste smogalarm (met snelheidsbeperking) dateert van 2014.

De Europese Richtlijn Luchtkwaliteit bepaalt dat lidstaten een luchtplan moeten opstellen wanneer ze in een bepaalde zone de grenswaarden niet halen. Daarin moet beschreven staan hoe men in de toekomst de normen wel zal halen. Hoewel de laatste overschrijdingen van de EU-grenswaarden voor fijn stof dateren van 2013, werd er in 2016 een luchtplan voor Gent en de Gentse kanaalzone opgesteld om de fijn stofconcentraties nog verder te doen dalen. Zo bevat het ‘Actieplan fijn stof en NO2 voor de agglomeratie Gent en Gentse Kanaalzone (2016-2020)’ 58 acties om de uitstoot van verkeer, industrie, gebouwenverwarming en andere niet-mobiele bronnen te verminderen. Eén van de acties is de invoering van een lage-emissiezone in Gent vanaf januari 2020.

Meer informatie over de gevolgen van fijn stof is te vinden in de indicatoren Verloren gezonde levensjaren (DALY’s) door fijn stof en Externe gezondheidskosten door fijn stof.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid