Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Luchtkwaliteit / Primair fijn stof

Emissie van primair fijn stof naar lucht

Fijn stof is een mengsel van afzonderlijke deeltjes (vloeibare of vaste), met uiteenlopende samenstellingen en afmetingen in de lucht. Deze stofdeeltjes kan men indelen op basis van de grootte of de samenstelling. Stofdeeltjes kunnen rechtstreeks uitgestoten worden (primair) of kunnen gevormd worden uit gasvormige stofprecursoren (secundair). De secundaire stofdeeltjes hebben een klein formaat. De grootte van de deeltjes is van belang voor de gezondheidseffecten. Hoe kleiner de deeltjes hoe dieper ze in de longen kunnen doordringen. Ook de samenstelling van de stofdeeltjes heeft invloed op de gezondheidseffecten.

Deze indicator bespreekt de rechtstreekse uitstoot van de fracties totaal stof (TSP of total suspended particles), PM10, PM2,5 en EC (elementair koolstof) in Vlaanderen, opgedeeld per sector:

  • Totaal stof slaat op alle zwevende stofdeeltjes die in de lucht blijven zweven. De aerodynamische diameter van deze deeltjes kan tot ongeveer 100 µm gaan.
  • PM10 is de fractie van de zwevende stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 µm.
  • PM2,5 is de fractie van de zwevende stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 2,5 µm
  • EC of elementair koolstof (elemental carbon) is niet ingedeeld volgens grootte maar volgens samenstelling. Deze deeltjes zijn restproducten van verbrandingsreacties. 
Evaluatie: Icon negatief
Laatst bijgewerkt: oktober 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Hugo Van Hooste

Doelstellingen voor de emissie van fijn stof

Het Europese en Vlaamse beleid focust, wat emissiedoelstellingen voor fijn stof betreft, op de fractie PM2,5. Het Vlaamse milieubeleidsplan 2011-2015 (MINA-plan 4), het laatste beleidsplan dat werd opgemaakt, schuift voor 2015 een absoluut doel van 2,3 kton voor transport naar voor en 6,0 kton voor stationaire bronnen. Bij de vastlegging van deze doelstelling kwam dit overeen met een emissiereductie van de PM2,5-emissies voor transport en voor de stationaire bronnen in 2015 met respectievelijk 33 % en 10 % t.o.v. 2007.

Een herziening van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL, 27/04/2012) werd enkel een verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor stationaire bronnen: 6,7 kton PM2,5 voor Vlaanderen tegen 2020. Dit plafond is dus minder streng dan de doelstelling uit het MINA-plan 4 voor 2015. 

De NEC-richtlijn werd eind 2016 herzien, met doelstellingen voor 2020 en 2030. In deze nieuwe richtlijn EG/2016/2284 worden nu ook doelstellingen voor de Belgische emissie van PM2,5 voorzien. In uitvoering van deze richtlijn heeft de Vlaamse Regering op 25 oktober 2019 het Luchtbeleidsplan goedgekeurd. Volgens dit Luchtbeleidsplan moet de Vlaamse PM2,5-emissie tegen 2020 en 2030 met respectievelijk 24 % en 37 % verminderd worden t.o.v. het jaar 2005. Dit vertaalt zich naar absolute emissieplafonds van 14,2 kton in 2020 en 11,9 kton in 2030.

Naast PM2,5 is er nog een kleinere fractie, zijnde elementair koolstof (EC). Elementair koolstof is een fractie van de stofdeeltjes die specifiek gevormd wordt bij onvolledige verbranding.  Omwille van hun samenstelling en hun geringe afmetingen hebben deze deeltjes negatieve gezondheidseffecten. Deze donkere deeltjes nemen tevens licht op en zorgen ook voor opwarming van de omgeving. Er zijn evenwel nog geen doelstellingen, noch op Vlaams, noch op Europees niveau voor de emissie van elementair koolstof vastgelegd.

Ook de grotere deeltjes zoals PM10 kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Er zijn evenmin Europese of Vlaamse doelstellingen voor de emissies van PM10, wel voor de concentratie ervan in de omgevingslucht.

Huishoudelijke verwarming is de belangrijkste bron van PM2,5

De totale emissie van PM2,5 lag in 2017 respectievelijk 38 % en 54 % lager dan in 2000 en in 1995. Tussen 2000 en 2006 was er weinig evolutie in de totale emissie, de drie volgende jaren was er wel een daling om vervolgens in 2010 opnieuw te stijgen. Daarna kende de PM2,5-emissie een schommelend maar overwegend licht dalend verloop.

Het verloop van de PM2,5-emissie wordt vooral beïnvloed door de huishoudens. De huishoudelijke PM2,5-emissie door verwarming, de belangrijkste bron,  is immers sterk afhankelijk van de  weersomstandigheden. Zo lag de huishoudelijke PM2,5-emissie in 2010 hoger dan in om het even welk jaar, dit als gevolg van de strenge winter. In de periode 2000-2017 werd de laagste totale PM2,5-emissie opgetekend in 2017, vooral te wijten aan lage huishoudelijke emissies als gevolg van de zachte winter. In dit jaar (2017) lag de huishoudelijke PM2,5-emissie niet minder dan 35 % lager dan in 2010, het jaar van de strenge winter.

De huishoudens zijn dus verantwoordelijk voor het grootste aandeel in de totale emissie van PM2,5. Dit aandeel is in de loop der jaren toegenomen,  van ongeveer een derde (33 % en 37 % in 1995 en 2000) tot zowat twee derden (61 % in 2010, 65 % in 2013 en 58 % in 2017). De PM2,5 emissie van de huishoudens is voor het overgrote deel (86 % in 2017) te wijten aan de gebouwenverwarming op vaste brandstoffen (kolen en hout) en is gekoppeld aan het voorkomen van strenge of mindere strenge winters.

Na de huishoudens (verantwoordelijk voor 58 % van de PM2,5-emissie in 2017) leveren de sectoren transport en industrie nog belangrijke aandelen in de emissie van PM2,5 met respectievelijk 18 % en 16 % in 2017. De landbouw is verantwoordelijk voor 6 % van de PM2,5-emissie, de sectoren energie en handel & diensten hebben een beperkte bijdrage van zowat 1 %.

De sectoren energie, industrie en transport kenden de grootste reductie van PM2,5-emissies tussen 1995 en 2017 (respectievelijk - 90 %, - 74 %, - 68 %). Voor de sector energie speelden volgende zaken mee: een toegenomen aandeel aardgas ten koste van steenkool in de elektriciteitssector samen met meer rookgaszuiveringsinstallaties, een verminderde inzet van conventionele centrales en meer invoer van energie uit het buitenland. Ook bij de petroleumraffinaderijen was er een sterke daling.

Voor de sector industrie is de emissiereductie in de betroffen periode vooral te wijten aan de invoering van emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties (in 2004), de geleidelijke overschakeling van vaste brandstoffen naar aardgas en de invoering van elektrostatische filters en doekenfilters in industriële processen en verbrandingsinstallaties.

Bij transport (met in hoofdzaak het wegverkeer) zijn vooral de uitlaatemissies verminderd (- 83 % tussen 1995 en 2017) door de stelselmatige vernieuwing van het wagenpark. Door de opeenvolgende Europese normeringen stoten nieuwe voertuigen minder fijn stof uit dan voorheen. De niet-uitlaatemissies (veroorzaakt door slijtage van remmen, banden, wegdek, … en dus rechtstreeks gekoppeld aan gereden kilometers) daarentegen zijn sedert 1995 met 27 % gestegen en vertegenwoordigen (in 2017) reeds ruim de helft (53 %) van de emissies van PM2,5 door transport.

De landbouw verminderde zijn PM2,5 emissie met 50 % tussen 1995 en 2017. Deze daling gaat samen met het dalende energiegebruik in de landbouw, met de omschakeling naar aardgas in de glastuinbouw en met de dalende veestapel tot 2008.

De daling in de emissie van fijn stof in deze bovenvermelde sectoren werd niet gevolgd door de huishoudens. De  PM2,5 emissie van de huishoudens kende een schommelend verloop. Zoals eerder gezegd is die uitstoot vooral afkomstig van de gebouwenverwarming en is dus zowel sterk weersgebonden, als afhankelijk van het soort brandstof. Het aandeel aardgas nam toe (+ 20 % tussen 1995 en 2016) ten nadele van steenkool en stookolie (respectievelijk  - 74 % en - 36 % tussen 1995 en 2016), wat een gunstig effect had op de emissies door de huishoudens. Maar het stijgend aandeel biomassa (+ 88 % tussen 1995 en 2016) bij verwarming leidde tot een verhoogde uitstoot van fijn stof. Om die emissies te beperken werden voor nieuwe verwarmingsinstallaties (≤ 300 kWth, dus vooral huishoudelijke kachels en verbrandingsketels) op hout en andere vaste brandstoffen maatregelen genomen naar efficiëntie en emissiegrenswaarden (KB12/10/2010) alsook naar de eigenschappen van houtpellets (KB 08/04/2011). 

Vlaamse PM2,5-emissiedoelstellingen (2015) voor stationaire bronnen niet gehaald

De cijfers van 2015 worden getoetst aan de doelstellingen van het MINA-plan 4. In 2015 bedroeg de emissie van PM2,5 voor transport 2,46 kton. De trend is dalend, en de emissie ligt nog net boven het doel van 2,3 kton, te bereiken in 2015. Een jaar later, in 2016, bedraagt deze emissie 2,31 kton, dus eigenlijk net de vereiste waarde voor het jaar voordien. In 2017 is deze emissie nog beperkt gedaald tot 2,17 kton. Voor de stationaire bronnen (van alle overige sectoren) bedraagt de  PM2,5 emissie in 2015 11,27 kton, m.a.w. 88 % hoger dan het doel van 6,0 kton. In 2016 en 2017 is de PM2,5 emissie van de stationaire bronnen licht gedaald tot respectievelijk 11,12 kton en 10,11 kton, nog steeds ver boven het doel van 2015.

Het doel afkomstig uit het protocol van Göteborg - 6,7 kton PM2,5 uit stationaire bronnen voor Vlaanderen tegen 2020 – lijkt nog veraf. Verdere maatregelen (technisch, structureel), innovaties, en een systemische aanpak dringen zich op.

Er moet wel rekening mee gehouden worden dat sinds het vastleggen van de doelen de berekeningswijze van de emissies van de huishoudelijke gebouwenverwarming en van het brandstofgebruik in de glastuinbouw gewijzigd is.

Volgens de huidige berekening bedraagt de emissie in 2017 van de stationaire bronnen 10,11 kton tegenover 13,92 kton in 2000, dus een daling met slechts 27 % op 17 jaar.  De huishoudens hebben de laatste jaren een aandeel van bijna drie vierden in de stationaire PM2,5-emissie. Zoals hoger vermeld zijn de huishoudelijke verbrandingsemissies sterk weersafhankelijk en vertonen ze een schommelend maar finaal stijgend verloop, o.a. door een toenemend stoken met hout. Door het grote aandeel van deze huishoudelijke emissie is in het verloop van de totale PM2,5 emissie van de stationaire bronnen dan ook nog geen daling gerealiseerd, integendeel. 

Huishoudens en transport verantwoordelijk voor 87 % van de emissie van elementair koolstof

De emissie van elementair koolstof is vooral afkomstig van huishoudens en transport. In de periode 1995 – 2005 had transport het grootste aandeel van zowat twee derden in de emissie van elementair koolstof, terwijl de huishoudens verantwoordelijk waren voor zowat 15 à 20 %. Na 2005 is het aandeel van transport steeds verder gedaald terwijl dat van de huishoudens toenam. In 2017 hebben de huishoudens en de transportsector respectievelijk een aandeel van 46 % en 41 % in de emissies van elementair koolstof.

In 2017 lag de totale emissie van elementair koolstof respectievelijk 62 % en 65 % lager dan in 2000 en in 1995. Deze daling is vooral te danken aan de sterk verminderde uitlaatemissie in transport (- 79 % tussen 1995 en 2017). Deze afname situeert zich vooral bij het wegverkeer en is te wijten aan de vernieuwing van het wagenpark (systematische verstrenging van de EURO-klasse normering voor nieuwe wagens). De emissies van elementair koolstof door de huishoudens zijn, net als de PM2,5-emissie, vooral afkomstig van de gebouwenverwarming op vaste brandstoffen (kolen en hout). Deze emissies fluctueren vrij sterk door de meteorologische omstandigheden en dalen algemeen gezien niet.

Naast huishoudens ook landbouw belangrijk voor uitstoot van PM10 en totaal stof

De totale emissie van PM10 vertoont een gelijkaardig verloop als de emissie van PM2,5. In 2017 lag de emissie van PM10 respectievelijk 28 % en 44 % lager dan in 2000 en in 1995. In vergelijking met de emissie van PM2,5 valt vooral het grotere belang van de landbouw op voor deze grotere stofdeeltjes. De landbouw is in de periode 2000 – 2017 verantwoordelijk voor 22 à 28 % van de totale PM10-emissie. De gunstige evolutie van het dalende energiegebruik in de glastuinbouw en de intensieve veehouderij werd deels tenietgedaan door een niet dalende emissie als gevolg van de bodembewerking en van op- en overslag van landbouwgoederen (granen, kunstmest, …). Hierdoor stagneerde de totale PM10-uitstoot door de landbouw  vanaf 2008. De PM10-emissie door bodembewerking (resuspensie) en op- en overslag van landbouwgoederen heeft een steeds groter aandeel in de emissie door de landbouw (52 % in 1995, 62 % in 2017).

Ook voor de PM10-emissie geldt dat de huishoudens een alsmaar belangrijker aandeel verwerven. In 1995 was deze sector verantwoordelijk voor 25 % van de emissies. Sinds 2000 zijn de huishoudens de belangrijkste sector wat betreft de PM10-emissie met aandelen van 36 % in 2017 en zelfs 46 en 48 % in 2013 en 2010 (jaren met strenge winters), dit vooral door de gebouwenverwarming op vaste brandstoffen.

Het aandeel van transport daalde van 25 % in 2000 naar 17 % in 2017 door vooral een daling van de uitlaatemissies. De niet-uitlaatemissies (veroorzaakt door slijtage van remmen, banden, wegdek, rails, bovenleidingen, …) vertegenwoordigen 70 % in de transportemissie van PM10 in 2017, dus een groter aandeel dan bij de PM2,5. De industrie verminderde haar PM10-emissie geleidelijk met 37 % tussen 2000 en 2017, dit door de eerder vermelde maatregelen zoals brandstofomschakeling en invoering van elektrostatische filters (zie eerder bij de bespreking van de PM22,5-emissie).   Het aandeel van de industrie in de totale PM10-emissie bleef ongeveer constant sinds 2000 en bedroeg 13 % in 2017. De energiesector verminderde zijn emissies door de hoger genoemde maatregelen met een factor 10 waardoor het aandeel zakte van 10 % in 2000 tot 1 % in 2017. Door de bijkomende rapportering sedert 2013 van emissies door op- en overslagbedrijven liep het aandeel van de sector handel & diensten op tot bijna 5 % in 2017.

Ook het verloop van de uitstoot van totaal stof was gelijkaardig aan dit van de twee kleinere fracties en in de periode 2000-2017 daalde de emissie maar beperkt (- 19 %). De landbouw bleef met een aandeel van 50 % veruit de voornaamste bron van de emissie van totaal stof in 2017. Ruim de helft (59 % in 2017) van deze landbouwemissies zijn afkomstig van de diverse activiteiten van bodembewerking en van op- en overslag van landbouwgoederen (kunstmest, granen, …). In 2017 namen de huishoudens 20 % van de emissies totaal stof in beslag, vooral door gebouwenverwarming. De sectoren transport en industrie namen in 2017 nog 13 % en 11 % van de totaal stof emissies voor hun rekening. Bij transport worden deze totaal stof emissies voor 79 % veroorzaakt door slijtage van banden, remmen, wegdek, bovenleidingen, rails, …

Verwachtingen voor de toekomst

Strengere normen voor nieuwe installaties in de industrie, verdere implementatie van BBT-referenties, gebruik van efficiëntere verwarmingsinstallaties en betere isolatie van woningen, verdere omschakeling van vaste brandstoffen naar aardgas en de verdere vernieuwing van het wagenpark zullen de emissies van de verschillende fracties van fijn stof verminderen. Ook de beperking van verkeerstromen door bv. rekeningrijden kan een gunstig effect hebben.

Er wordt verwacht dat het invoeren van nationale emissiemaxima (NEC-richtlijn) voor 2020 en 2030, met voor het eerst ook doelen voor PM2,5, de reductie van fijn stof zal stimuleren. Een deel van die reductie kan gerealiseerd worden door de implementatie van de voorgestelde EU-richtlijn voor middelgrote stookinstallaties. Structurele maatregelen, innovaties en een systemische aanpak van de fijnstof emissies zullen allicht ook nodig zijn om de doelstellingen te realiseren.

Meer info over de emissies van fijn stof van de verschillende sectoren is te vinden bij de indicatoren ‘emissie van fijn stof door de industrie, ‘emissie van fijn stof door de landbouw’ en ‘emissie van luchtpolluenten door transport’.

 

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid