Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Klimaatverandering / Hitte-eilanden in steden

Hitte-eilanden in steden

De temperatuur in steden ligt doorgaans hoger dan in de omringende landelijke gebieden, wat tijdens hittegolven aanleiding geeft tot een verhoogde menselijke blootstelling aan hittestress. Vooral ouderen en kinderen ondervinden hiervan gezondheidshinder. Deze indicator kwantificeert die verhoogde blootstelling aan de hand van de extra ‘hittegolfgraaddagen’ of HGD die in steden gemeten worden, en die zowel het gewicht als de duur van hittegolven in rekening brengen.

Bij deze indicator nemen we de definitie over die de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid hanteert voor een hittegolf: “een periode van minstens drie opeenvolgende dagen met een gemiddelde minimumtemperatuur (gemiddelde over de drie dagen en niet per dag) hoger dan 18,2 °C en een gemiddelde maximumtemperatuur hoger dan 29,6 °C”.

Evaluatie: Icon negatief
Laatst bijgewerkt: december 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Johan Brouwers

“Hot in the city”

In vergelijking met het platteland ligt in steden vooral de nachtelijke temperatuur hoger. Gemiddeld loopt dit verschil op tot enkele °C (eerste figuur), maar er worden ook dagen genoteerd met uitschieters tot 7 à 8 °C en meer. Hittegolven treden daardoor frequenter én intenser op in steden.

Hittegolfgraaddagen

Een manier om dat effect in cijfers om te zetten is aan de hand van zogenaamde ‘hittegolfgraaddagen’ of HGD, die voor een gegeven jaar berekend worden door:

  • eerst te bepalen op welke dagen in de periode van 1 april tot 30 september in dat jaar zich een hittegolf voordoet, uitgaande van de definitie van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid;
  • en vervolgens voor die dagen de som te nemen van de overschrijdingen van de dagelijkse maximumtemperatuur boven de drempel van 29,6 °C, samengeteld met de som van de overschrijdingen van de dagelijkse minimumtemperatuur boven de drempel van 18,2 °C.

Op deze manier geeft de indicator niet enkel een beeld van de totale duur van hittegolven in dat jaar, maar ook van hun gewicht. De indicator wordt doorgaans getoond voor een stedelijke en een nabijgelegen landelijke locatie, op een gemeenschappelijke grafiek, zodat het stedelijk effect tot uiting komt (tweede en derde figuur).

Korte meetreeksen, maar duidelijk patroon

Tot 2016 waren enkel voor Antwerpen meetreeksen in centraal-stedelijke en omliggende landelijke locaties beschikbaar die invulling van de indicator toelaten. Deze meetreeksen namen bovendien pas een aanvang in 2012 (tweede figuur). Inmiddels kon de indicator uitgebreid worden naar de steden Gent, Lier, Brugge, Hasselt en Brussel & omgeving (derde figuur). Deze groep omvat een
representatieve steekproef van steden, met een variërend inwoneraantal (enkele tienduizenden tot meer dan een miljoen) en geografische spreiding (van de Kust tot in Limburg).

Ondanks het feit dat we momenteel slechts over data van een beperkte periode beschikken, komt er toch al een duidelijk patroon naar voren:

  • In vergelijking met nabijgelegen rurale gebieden worden steden gekenmerkt door een systematisch hoger aantal hittegolfgraaddagen;
  • Verder stijgt het geregistreerde aantal hittegolfgraaddagen met de grootte van de stad* (gemeten naar hun inwoneraantal), en met de afstand tot de Kust;
  • En in Gent, waar ook een meetpunt staat in een stedelijk park, blijkt duidelijk de temperende werking van groen in de stad.

De zomer van 2019 werd gekarakteriseerd door extreem hoge temperaturen. In sommige meetstations werden zelfs waarden tot boven 40 °C genoteerd, wat nooit eerder was waargenomen in België sinds de start van de metingen door het KMI in 1833. Toch lagen de genoteerde HGD-waarden niet zo enorm veel hoger dan wat in 2018 werd opgetekend, wat waarschijnlijk te maken heeft met de relatief korte duur van de hittegolven in 2019.

* Uitzondering hierop lijken de meetwaarden voor het centrum van Brussel. Het meetstation daar vertoont afwijkende waarden, die eerder een onderschatting lijken te zijn ten opzichte van de reële situatie. Bijkomende metingen op deze locatie lijken aangewezen om dit uit klaren.

Hoe groter de stad, hoe groter het hitte-eilandeffect

De bevindingen uit bovenvermelde metingen worden ook bevestigd door kaartmateriaal geproduceerd met een fijnmazig, regionaal klimaatmodel voor Vlaanderen. De vierde figuur werd samengesteld op basis van modelresultaten, en geeft het gemiddeld aantal hittegolfgraaddagen in het huidige klimaat (periode 2000-2018).

De hoogste waarden worden bereikt in een groot deel van het centrum van Brussel, vooral in en rond de kanaalzone, en in de steden in de Maasvallei in het uiterste oosten van Vlaanderen, waar er een warmer micro-klimaat heerst op de flanken van de zand-en grindhellingen. Verder zijn er hogere waarden in en om het centrum van Antwerpen en de haven, in de grotere centrumsteden (Gent, Mechelen, Leuven, Hasselt) en in de urbane en suburbane gebieden in de Kempen, waar de combinatie van zandgrond en gemiddeld lagere windsnelheden tot hogere temperaturen leidt. De laagste waarden vinden we in de agrarische gebieden van de Westhoek, waar de milderende invloed van de zee en de hoge gemiddelde windsnelheid aanleiding geven tot de laagste zomertemperaturen in Vlaanderen. Boven wateroppervlakken (zeker de grotere) worden de drempelwaarden bijna nooit overschreden, omdat de maximumtemperaturen er bijna altijd onder 29,6 °C blijven.

De onderliggende kaarten van individuele jaren, laten de hoogste waarden zien in de warme zomers van 2003 en 2006. Zo liep voor de Antwerpse binnenstad de waarde op tot 60 HGD in 2003. Gelet op de belangrijke oversterfte die werd opgetekend tijdens hittegolven in die zomer, hanteren we die waarde van 60 HGD als drempelwaarde en indicatie voor belangrijke hittestress in Vlaanderen.

Hete zomer van 2018 zet beeld op scherp

De vijfde figuur geeft de kaart weer voor het meest recente jaar waarvoor de modelresultaten beschikbaar zijn: 2018. Die zomer van 2018 was de heetste sinds het begin van de metingen in België. Net als in 2003 en 2006 werden er heel wat hittegolfdagen gemeten in Ukkel. Dit vertaalt zich in een hittegolfgraaddagen-kaart die erg hoge waarden laat zien, zelfs tot 160 HGD in Brussel. Sinds 2000 vertoont enkel de kaart van 2006 nog net iets hogere waarden. De kaart laat ook duidelijk de gradiënt van de Kust naar de Kempen zien. In deze erg warme zomer werd de drempelwaarde van 60 HGD overschreden in bijna alle stedelijke en verstedelijkte gebieden in Vlaanderen (buiten West-Vlaanderen).

Hoe kunnen we het stedelijk hitte-eiland verhelpen ?

Om te beginnen is het belangrijk dat de hitteplannen van de overheid afgestemd zijn op de stedelijke situatie. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat hittegolven zich vaker en feller doen voelen in steden. Ook de specifieke sociale situatie van stedelingen (bijvoorbeeld meer alleenwonende ouderlingen) is daarbij een belangrijk aandachtspunt.

Het is ook van belang bij de ruimtelijke planning in steden rekening te houden met de invloed van de bebouwing op het lokale klimaat, onder andere door vegetatie en wateroppervlakken in te zetten om de extreme temperaturen lokaal te milderen. Uit onderzoek blijkt dat vooral minder verharding en meer groen in de stad het hitte-eilandeffect kunnen verminderen. Het verkoelende effect van wateroppervlakken blijkt lager te liggen: water kan veel warmte opnemen, waardoor zeker stilstaand water later in de zomer ’s nachts juist warmer kan zijn dan de omgevingslucht. Op zo’n moment draagt water in de stad dus eerder bij tot de hitte in de stad. Toch kunnen grotere waterpartijen ook naar het einde van de zomer toe nog verkoeling brengen wanneer hun oriëntatie in het verlengde ligt van de heersende windrichting: ze laten dan toe dat verkoelende wind dieper doordringt in de stad.

Meer info

Deze indicator is nauw verwant met 2 andere MIRA-indicatoren:

In opdracht van MIRA (VMM) is in 2015 een eerste onderzoeksopdracht uitgevoerd naar het voorkomen van stedelijke hitte-eilanden in Vlaanderen. Naast temperatuursmetingen werden in dit verband ook satellietbeelden geanalyseerd om de ruimtelijke patronen in kaart te brengen, en zijn scenarioberekeningen uitgevoerd om na te gaan of het voorkomen van hitte-eilanden kan wijzigen onder invloed van klimaatverandering. De resultaten van dit onderzoek zijn hier raadpleegbaar.

In 2018 werd een vervolgstudie uitgevoerd voor MIRA (VMM): 'Uitbreiding en validatie indicator hitte-eilandeffect'. Deze start met een uitbreiding van de bestaande MIRA-indicator voor het hitte-eilandeffect naar de steden Gent, Lier, Brugge, Hasselt en Brussel & omgeving. Vervolgens werd het bestaande model UrbClim gevalideerd aan de hand van deze metingen. Ten slotte werd dit model ingezet om kaartmateriaal te genereren over het voorkomen van het hitte-eilandeffect, dekkend voor heel Vlaanderen in een resolutie van 100 m. Dat kaartmateriaal werd opgemaakt zowel voor de bestaande toestand (2000-2016) als voor verschillende scenario’s (met wijzigingen in klimaat en ruimtelijke ordening) tot 2100. Dit kaartmateriaal dient ook als input voor het deelthema hitte van het Klimaatportaal Vlaanderen, dat naast fijnmazige kaarten ook gebruiksvriendelijke figuren en cijfers zowel op het niveau van een individuele gemeente als voor heel Vlaanderen bevat.

In 2019 is een burgerwetenschapsproject opgestart dat op 56 locaties in Vlaanderen en Brussel luchttemperaturen zal meten tijdens de zomer van 2020. Dit VLINDER-project wordt gecoördineerd door de UGent, en kan bijkomende inzichten verschaffen over de invloed van lokaal bodemgebruik op het hitte-eilandeffect.

Voor een algemene inleiding over het stedelijk hitte-eiland verwijzen we naar 'The Urban Canopy Layer Heat Island'. De definitie van een hittegolf die hier wordt gebruikt is beschreven in het Hittegolf- en Ozonpiekenplan  van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid