Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Klimaatverandering / Hitteslachtoffers

Slachtoffers bij hittegolven

De relatie tussen temperatuur en sterfte is U-vormig: de mortaliteit neemt toe bij temperaturen die ver boven of onder de optimale temperatuur liggen. Dat optimum is trouwens locatiespecifiek: de bevolking van Zuid-Europese landen is beter bestand tegen hoge temperaturen dan inwoners van onze regio.

Hogere temperaturen verhogen vooral de sterfte bij bejaarden, bij mensen met hart- en vaatziekten en ademhalingsproblemen, en bij kinderen jonger dan 4 jaar. De impact van hitteperiodes is vaak minder zichtbaar dan de schade door bijvoorbeeld overstromingen of orkanen. Nochtans blijkt de blootstelling aan hitte toch beduidend meer slachtoffers te maken: vergelijk bijvoorbeeld de 1 500 slachtoffers van orkaan Katrina van 2005 in de VS met de ruim 70 000 slachtoffers van de Europese hittegolf in de zomer van 2003.

Deze indicator gaat daarom na tot welke oversterfte hittegolven leiden in België, en is gebaseerd op analyses uitgevoerd door Sciensano. Oversterfte wordt hierbij uitgedrukt zowel in absolute aantallen als procentueel, en betreft de extra sterfgevallen die worden geobserveerd ten opzichte van het verwachte aantal sterfgevallen in de zomerperiode (afgeleid uit de waarnemingen in de vijf voorgaande jaren). Het begrip 'hittegolf' wordt bij deze indicator gedefinieerd als een periode van minstens vijf dagen waarin de maximale dagtemperatuur te Ukkel 25 °C of meer bedraagt (zomerdagen), en waarin bovendien minstens drie dagen lang de temperatuur boven de 30 °C stijgt (tropische dagen).

Ook andere gezondheidseffecten van hittegolven komen kort aan bod.

Evaluatie:
Laatst bijgewerkt: juli 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Johan Brouwers

Europa geconfronteerd met hittedoden

In Europa hebben klimaat- en weersgerelateerde gebeurtenissen bijna 90 000 extra doden veroorzaakt in de periode 1980-2016. Het merendeel van die extra sterftes (87%) hield verband met hittegolven, hetgeen in belangrijke mate terug te voeren is tot de zomer van 2003. In Europa was de zomer van 2003 waarschijnlijk de heetste sedert het jaar 1500. Niettegenstaande extreme weersfenomenen ook ‘toevallig’ kunnen gebeuren, speelt de menselijke invloed een grote rol. Onderzoek geeft aan dat menselijke activiteit het risico op een dergelijke hittegolf verdubbelt met een zekerheid van minstens 90 %.

Onderzoek naar het aantal hittedoden in die zomer van 2003 geeft aan dat in de maanden juni tot september dat jaar in 12 Europese landen een verhoogde sterfte werd opgetekend. In totaal lag de sterfte in die 4 zomermaanden er gemiddeld 6,99 % hoger dan in de zomermaanden in de referentiejaren (1998-2002). In Frankrijk liep de extra sterfte in de tweede week van augustus zelfs op tot 96,5 %. In totaal bedroeg het aantal extra doden in die 4 zomermaanden 71 445. De extreme temperaturen verergerden ook de blootstelling aan andere schadelijke stoffen, zoals troposferisch ozon en fijn stof.

Slachtoffers: vooral bejaarden en in steden

Vooral in steden staan mensen bloot aan hittestress als gevolg van klimaatverandering. Door de blokkering van wind en het vasthouden van warmte in beton, asfalt en stenen kan het in steden nog veel warmer worden dan in de omliggende gebieden. Zo kunnen steden uitgroeien tot heuse hitte-eilanden. Vooral tijdens de nacht kan het temperatuurverschil met de omgeving er oplopen. Ook socio-economische factoren spelen mee in de verhoogde gevoeligheid van stedelingen voor hitteperiodes: bijvoorbeeld sociale isolatie, dakloosheid, verminderde mobiliteit en lagere inkomens.

De effecten van blootstelling kunnen rechtstreeks verband houden met hitte (hitteberoerte, hittemoeheid en uitdroging, of hittestress) of kunnen het gevolg zijn van een verergering van reeds bestaande ademhalings- en hart- en vaatziekten, elektrolytstoornissen en nierproblemen. Die effecten van warmte treden meestal op dezelfde dag en in de daaropvolgende drie dagen op.

Ook België kent oversterfte tijdens warme zomermaanden

De laatste jaren worden we in ons land geconfronteerd met gemiddeld 1 hittegolf per zomer. Maar niet iedere hittegolf duurt even lang, en de temperatuurmaxima die bereikt worden kunnen ook nog verschillen. De eerste figuur brengt daarom het verloop van het aantal hittegolfdagen in een jaar en het gewicht van de hittegolven (= mate waarin de temperatuur boven de 25 °C uitkomt) in beeld, samen met de oversterfte die in België wordt geregistreerd tijdens de zomermaanden.

De figuur laat duidelijk zien dat de zomers van 2003, 2006 en 2010 de grootste oversterfte lieten optekenen: telkens meer dan 6 % of meer dan 2 000 extra sterfgevallen:

  • In 2003 kende ons land een belangrijke hittegolf die 16 dagen aanhield, en een andere warme periode die 13 dagen aanhield. Over de ganse zomer van 2003 bekeken leidde dit tot een oversterfte van 2 494 personen;
  • 2006 kende 2 hittegolven, respectievelijk 6 en 33 dagen lang. Die zomer werd een oversterfte van 2 245 geregistreerd;
  • Eind juni en in de eerste helft van juli 2010 volgden 2 hittegolven vlak na elkaar. De eerste hittegolf hield 13 dagen aan, de tweede hittegolf 8 dagen. Die zomer leidde dat tot een oversterfte van 2 313 eenheden.

Niet toevallig betreft dit de zomers met het hoogste aantal hittegolfdagen, en waarin de temperatuurdrempel van 25 °C het verst werd overschreden. Die jaren werden ook het meest aantal nachten genoteerd waarbij de minimumtemperatuur boven de 20 °C bleef hangen. Er bestaan immers aanwijzingen dat het vooral de hoge nachtelijke minimumtemperaturen zijn die aanleiding geven tot gezondheidsproblemen. Na blootstelling overdag aan hittestress, kunnen mensen dan 's nachts onvoldoende rusten en dus onvoldoende recupereren. Ook het aantal dagen met ozonconcentraties in de omgevingslucht boven de gezondheidsdrempel van 120 µg/m³ liep die 3 zomers hoger op dan in de andere beschouwde jaren.

Voorts kwam de oversterfte ook in de jaren 2008 en 2016 boven de 5 % uit. De zomer van 2017 daarentegen liet in zijn geheel beschouwd geen uitzonderlijke waarden van oversterfte optekenen vergeleken met de andere jaren uit periode 2000-2017. De tweede figuur geeft het dagelijkse verloop van de geregistreerde sterfte weer specifiek voor Vlaanderen, samen met enkele temperatuur- en ozondrempels. Daarop is te zien dat er enkel rond 22 juni een kortstondige piek was van tijdelijke oversterfte, wat samenviel met een stijging van de minimum- en maximumtemperaturen en met de activering van de waarschuwingsfase van het Vlaams Warmteactieplan (zie verder).  

De buitengewone sterfteratio tijdens hittegolven is het hoogst bij bejaarden en bij mensen die vooraf reeds ziek waren. In veel landen vindt vergrijzing van de bevolking plaats, waardoor het aantal mensen die gevoelig zijn voor hittestress toeneemt en klimaatverandering op die manier tot bijkomende impact leidt. Baby’s en jonge kinderen vormen mogelijk ook een risicogroep omdat hun temperatuurregulatie nog in ontwikkeling is en er ook sneller uitdroging kan optreden. Alhoewel kan worden verwacht dat een deel van de sterftes tijdens een hittegolf voorkomt bij gevoelige personen die anders in de daaropvolgende weken of maanden gestorven zouden zijn, geeft wetenschappelijk onderzoek daaromtrent geen eenduidige aanwijzingen: zo bleef na de zomermaanden van 2003 de sterfteratio zelfs nog boven die van de referentieperiode.

Adaptatie helpt

Publieke bewustwording van de hitte-problematiek en de installatie van een opvolgingssysteem kunnen het aantal hittedoden sterk terugdringen. Dit blijkt duidelijk uit een vergelijking van de situatie in Frankrijk tijdens de zomer van 2003 en de daaropvolgende zomers.

Ook bij ons blijkt uit een analyse voor de zomer 2013 dat sensibilisering helpt. Zo werd in de maanden juli en augustus, die nochtans een lang aanhoudende hitteperiode kenden met daarin 2 hittegolven, geen significante stijging van het aantal overlijdens genoteerd. Specifiek in steden kunnen ook groene ruimten met voldoende vegetatie en wateroppervlakten de impact van hitteperiodes reduceren.

België heeft een hitte- en ozonpiekenplan dat bestaat uit drie fases, nl. de waakzaamheidsfase, de waarschuwingsfase en de alarmfase. Het nationale hitte- en ozonpiekenplan harmoniseert de afkondiging van deze fases binnen België. De uitvoering van de eerste twee fases ligt bij de gefedereerde entiteiten. Voor Vlaanderen betekent dit dat het Agentschap Zorg en Gezondheid verantwoordelijk is voor de uitvoering van de waakzaamheidsfase en de waarschuwingsfase. Dit werd gebundeld in het Vlaams Warmteactieplan en de campagne Warme Dagen. Het plan omvat een reeks informatie- en preventiemaatregelen om de gevolgen van de hitte te beperken. De uitvoering van de alarmfase wordt gecoördineerd door de federale overheid.

Ook meer vroeggeboortes

In 2016 konden onderzoekers aantonen dat hittegolven niet enkel leiden tot vroegtijdige overlijdens, maar dat hoge omgevingstemperaturen ook leiden tot significant meer vroeggeboortes (geboorte na 36 weken of minder zwangerschap) in Vlaanderen. Vroeggeboorte is in Westerse landen niet enkel de belangrijkste doodsoorzaak voor pasgeboren kinderen, maar kinderen die toch weten te overleven blijken er zelfs tot op volwassen leeftijd gezondheidseffecten van te ondervinden.

Zowel een verhoogde dagelijkse minimumtemperatuur als een oplopende maximumtemperatuur lokken meer vroeggeboortes uit:

  • wanneer de nachtelijke minimumtemperatuur verhoogt van 8,3 °C (mediaan in de periode 1998-2011) naar 16,3 °C, neemt het risico op vroeggeboorte toe met 8,5 %. Loopt tijdens extreme hitteperiodes in ons land de minimumtemperatuur nog verder op tot 19,0 °C, dan verhoogt dat risico zelfs met 15,6 %;
  • het risico op vroeggeboorte neemt toe met 9,6 % in Vlaanderen wanneer de dagelijkse maximumtemperatuur verhoogt van 14,7 °C (mediaan in de periode 1998-2011) naar 26,5 °C en zelfs met 14,5 % bij dagen waarop de maximumtemperatuur oploopt tot 30,7 °C. 

Meer info

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid