Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Klimaatverandering / Toegewezen vs benodigde emissierechten onder ETS

Toegewezen versus benodigde emissierechten voor bedrijven onder Europees Emissiehandelssysteem (ETS)

Deze indicator volgt zowel per deelsector* als voor het geheel van Vlaanderen de verhouding op tussen de werkelijke emissies en de vooraf toegekende gratis emissierechten.

De over- en onderallocatie van emissierechten wordt zowel weergegeven in absolute aantallen (Mton CO2-equivalent; eerste en tweede figuur) als relatief ten opzichte van de geverifieerde emissies (%; derde figuur). Positieve getallen geven aan dat er meer gratis emissierechten werden verleend dan nodig. Indien het aantal gratis verkregen emissierechten niet voldoende was om alle geverifieerde emissies te compenseren, is het getal negatief.

* Omdat de databron voor deze indicator een andere indeling hanteert dan de MIRA-sectorindeling, werden (enkel) bij deze emissie-indicator enkele emissiestromen bij een andere (deel)sector ingedeeld dan gebruikelijk. Concreet vallen nu emissies van enkele WKK-installaties en van een naftakraker onder de sector industrie in plaats van onder de sector energie.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: november 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Sander Devriendt

Eerste en tweede handelsperiode

Focus emissiehandelssysteem verschuift en verbreedt

Het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) heeft sinds de start in 2005 al enkele belangrijke veranderingen ondergaan. Tijdens de eerste handelsperiode (2005-2007) bleek immers dat niet alle lidstaten de regels voor toetreding tot het ETS op dezelfde manier hadden geïnterpreteerd. Voor de aanvang van de tweede handelsperiode (2008-2012) werd dit door de Europese Commissie uitgeklaard. Hierdoor moesten onder meer in Vlaanderen een aantal installaties toetreden, terwijl andere net niet meer onder het ETS vielen. Emissies van WKK-installaties verschoven bovendien van de sector energie naar de industriële deelsectoren van de exploitanten.

De verschillen tussen de eerste twee handelsperiodes vallen in Vlaanderen vooral op bij de deelsectoren elektriciteit, raffinaderijen, keramische industrie, aardgastransport & -distributie en hout. Zo valt de gehele deelsector aardgastransport & -distributie pas sinds de tweede handelsperiode onder het ETS. En ook bij de chemie viel een belangrijke verbreding van het ETS-toepassingsgebied te noteren: de krakerinstallaties vielen pas vanaf de tweede handelsperiode onder de ETS-bepalingen, wat bijna tot een verdubbeling leidde van de binnen het ETS te beschouwen emissies in de deelsector chemie.

Gratis verkregen emissierechten voldoende om broeikasgasemissies te compenseren

Ondanks deze veranderingen tussen de eerste en tweede handelsperiode valt op dat vooral tussen de eerste twee handelsperiode en de derde handelsperiode, die startte in 2013, grote verschillen optreden (figuur 1). In de eerste twee handelsperioden waren de totale gratis emissierechten die bedrijven kregen ruimschoots voldoende om de Vlaamse ETS-emissies te compenseren. In 2011 en 2012 lagen de ETS-emissies zelfs gevoelig lager dan het aantal uitgereikte gratis emissierechten.

Dit zorgde voor een overallocatie van emissierechten ten opzichte van de emissies in Vlaanderen en ook in de rest van Europa. Deze overallocatie had uiteraard een belangrijk negatief effect op de prijs van de emissierechten. Op het einde van de eerste handelsperiode (in 2007) daalde die zelfs tot bijna 0 euro (dit was ook het gevolg van het feit dat emissierechten uit de eerste handelsperiode niet konden overgedragen worden naar de tweede handelsperiode). Ook in de tweede handelsperiode (2008-2012) kende de prijs van de emissierechten een kritisch verloop (figuur 4), met opvallende dalingen in de prijs in februari 2009 en eind 2011. Het feit dat er voldoende ETS-emissierechten werden toegewezen aan Vlaamse installaties, wil echter niet zeggen dat er geen handel was in emissierechten en dat er geen gebruik werd gemaakt van andere mechanismen, zoals die van het Clean Development Mechanism (CDM) en de Joint Implementation (JI)1. Emissierechten van deze mechanismen kunnen ook door bedrijven aangekocht en gebruikt worden en verhogen het totaal aantal emissierechten in het ETS. In de tweede handelsperiode was 10 % van de ingelevered emissierechten door Vlaamse ETS installaties afkomstig van CDM of JI projecten. Initieel was dat nog beperkt, maar vooral in de twee laatste jaren van de tweede handelsperiode nam dat toe tot respectivelijk 17 % en 27 %. Dit werd in alle sectoren gebruikt, maar voornamelijk in de sector ijzer en staal (gemiddeld 20 % over de gehele tweede handelsperiode). Vanaf de derde handelsperiode werd het gebruik van deze emissierechten in het ETS beperkt.

Elektriciteitssector grootste netto aankoper van emissierechten

Van bij de aanvang van het ETS kregen de elektriciteitsproducenten minder gratis emissierechten dan dat ze CO2 uitstoten (figuur 2 & 3). Elektriciteitsproducenten hebben deze bijkomende kost gedeeltelijk opgevangen door de elektriciteitsproductie in fossiele centrales te verminderen en over te schakelen naar hernieuwbare energie (bijvoorbeeld door (co)-verbranding biomassa). Ook de import van elektriciteit in Vlaanderen nam toe. De consumptie van fossiele brandstoffen door klassieke thermische centrales voor productie van elektriciteit was 63 % lager in 2016 in vergelijking met 2005.

Andere deelsectoren boeken overschotten dankzij convenanten

Opvallend is dat vrijwel alle deelsectoren (behalve de elektriciteitsproducenten) meer gratis emissierechten verkregen dan dat ze nodig hadden in de eerste en de tweede handelsperiode (figuur 1, 2 & 3). De reden hiervoor is dat energie-intensieve bedrijven die toetraden tot het Vlaamse benchmarkconvenant, dat liep van 2005 tot 2014, hun emissierechten gratis kregen. Indien bedrijven beter deden dan de doelstelling die vooropgesteld werd in het benchmarkconvenant (top 10 % wat betreft laagste specifieke energiegebruik van vergelijkbare installaties in de wereld), kregen die bedrijven meer emissierechten dan ze nodig hebben. De resultaten van het Verificatiebureau Benchmarking Vlaanderen (VBBV) tonen inderdaad aan dat de bedrijven die toetraden tot het benchmarkingconvenant vaak al efficiënter waren dan de 10 %-grens.

In sommige individuele gevallen leidt dit tot een hoge overallocatie van gratis emissierechten, zowel in relatieve als in absolute aantallen. In absolute termen krijgt het bedrijf Arcelor Mittal Gent het grootste aantal gratis emissierechten (voor meer dan 7 milioen ton CO2-eq. per jaar in de derde handelsperiode) en is daarmee de belangrijkste ETS-installatie in Vlaanderen. Dit komt overeen met de situatie in de andere Europese landen, waar de ijzer- & staalindustrie vaak een groot aandeel heeft verkregen aan gratis emissierechten. Niet toevallig is dit ook de sector die het meeste vreest dat de additionele kosten van het ETS de productie verder zou kunnen doen verschuiven naar lageloonlanden, ook wel carbon leakage2 genaamd.

Voor Arcelor Mittal Gent is de situatie wel complexer. Siderurgische gassen van Arcelor Mittal Gent worden door Electrabel gebruikt voor het opwekken van elektriciteit (in de centrales Rodenhuizen en Knippegroen). De emissierechten voor de ijzer- & staalindustrie houden rekening met de emissies die vrijkomen bij de elektriciteitsopwekking met siderurgische gassen. Maar hoewel Arcelor Mittal Gent wel de rechten kreeg toegewezen, moet ze geen rechten inleveren voor deze emissies want die komen op rekening van de Electrabel-centrales. In de eerste en tweede handelsperiode legde de Vlaamse Regering daarom aan Arcelor Mittal Gent op om de noodzakelijke rechten kosteloos aan Electrabel over te maken.

De economische crisis in 2009 heeft vooral in de deelsectoren ijzer & staal en chemie voor duidelijke effecten gezorgd. De verminderde activiteit resulteerde in minder emissies, maar had geen invloed op het aantal gratis emissierechten dat werd verkregen waardoor er een piek ontstond in de overallocatie van rechten. In 2011 en 2012 is er opnieuw een belangrijke netto overallocatie van emissierechten. De reden hiervoor is niet zozeer een te grote overallocatie in de industrie, maar wel de belangrijke afname van de ETS-emissies in de sector energie.

Derde handelsperiode

Met de derde handelsperiode (2013-2020) werden er opnieuw belangrijke veranderingen doorgevoerd:

  1. Een verdere uitbreiding (meer gassen en meer activiteiten) van de activiteiten die onder het ETS vallen. Dit omvat onder meer de CO2- en N2O-emissies die vrijkomen bij de productie van salpeterzuur, adipinezuur, glyoxal en glyoxylzuur. Deze uitbreiding van het toepassingsgebied betekent voor Vlaanderen een niet onbelangrijke verschuiving van emissiebronnen (en emissies) naar het ETS, die vooral merkbaar is in de deelsector chemie.
  1. Aanpassing en harmonisatie van de allocatieregels waarmee emissierechten worden verdeeld. Het totaal aantal emissierechten zal jaarlijks nog verder afnemen met 1,74 %, zodat in 2020 de Europese ETS-emissies slechts 79 % bedragen van die in 2005. Daarbij zal ook de fractie gratis toebedeelde emissierechten worden afgebouwd.

De elektriciteitsproductenten krijgen geen gratis emissierechten meer (figuur 3). Industriële deelsectoren die niet gevoelig zijn voor internationale concurrentie krijgen aanvankelijk nog 80 % van de benodigde emissierechten gratis, waarna dit percentage zal afnemen tot 30 % in 2020. Deelsecoren die gevoelig zijn voor internationale concurrentie blijven 100 % van de emissierechten gratis verkrijgen. De emissierechten die niet gratis worden verdeeld, worden op veilingen verhandeld aan de ETS-installaties. In de eerste en tweede handelsperiode waren de lidstaten (in het geval van België zijn dit de gewesten) verantwoordelijk voor het toekennen van emissierechten aan de verschillende installaties die onder het ETS vielen. Lidstaten gebruikten hiervoor verschillende methodieken en aannames waardoor in sommige gevallen gelijkaardige installaties in verschillende lidstaten een sterk verschillend aantal gratis emissierechten kregen toebedeeld. Aangezien alle Europese installaties wel tot dezelfde koolstofmarkt behoorden, zorgde dit voor een belangrijke vorm van ongelijkheid. Om dit op te lossen werden door de Europese Commissie geharmoniseerde methoden ontwikkeld voor toekenning van gratis emissierechten in de derde handelsperiode aan de verschillende sectoren en activiteiten.

De aanpassing van de regels voor het toewijzen van gratis emissierechten was voornamelijk om de overallocatie in de EU aan banden te leggen. Dit zorgde er immers voor dat de prijs van emissierechten laag bleef. De nieuwe regels moesten ervoor zorgen dat de prijs van emissierechten steeg en een effectievere stimulus werd voor bedrijven om hun emissies te reduceren. De economische crisis stak vanaf eind 2008 echter stokken in de wielen. De verminderde activiteit deed de emissies dalen, voornamelijk in 2009, maar bedrijven bleven dezelfde hoeveelheid gratis emissierechten krijgen (deze werden voor de crisis afgesproken en hielden dus geen rekening met een afname in activiteit).

Om dit te corrigeren introduceerde de EU in 2013 en 2014 de backloading van veilingen en de strategisch marktreserve. Door de veiling van 900 miljoen emissierechten in de periode 2014-2016 uit te stellen en deze in de strategische marktreserve te plaatsen hoopt men het overaanbod weg te werken en de prijs van emissierechten op te krikken. Tussen eind 2011 en 2014 nam de prijs voor emissierechten immers af van €14 tot €6. Initieel zouden de emissierechten uit deze reserve opnieuw geveild worden in 2019 en 2020. De Europese Commissie besliste echter om deze strategische marktreserve vanaf 2019 te gebruiken als buffer om de overallocatie van emissierechten tegen te gaan en de prijs van ETS emissierechten te stabiliseren. Hiervoor werden welafgelijnde regels opgesteld. De marktreserve kan ook gebruikt worden om bij schaarste, emissierechten op de markt te plaatsen.

Elektriciteitssector

De elektricteitessector kreeg in de eerste en tweede handelsperiode gratis emissierechten die overeenkwamen met ongeveer 50 % van hun emissies (figuur 3). Vanaf de derde handelsperiode krijgen elektriciteitsproducenten geen gratis emissierechten meer (met een uitzondering voor elektriciteitsproductie uit rookgassen) en moeten ze hun emissierechten dus ofwel kopen van lidstaten via veilingen of van andere ETS-installaties. De ETS-emissies in de derde handelsperiode namen af tussen 2013 en 2017 met 9 %. Deze trend doet zich ook in het gehele ETS voor. In de EU is de afname voornamelijk het gevolg van de afname van elektriciteitsproductie met steenkool in sommige landen, zoals het Verenigd Koninkrijk.

Andere sectoren

De uitbreiding van de industriële activiteiten die onder het ETS vallen is het duidelijkst af te leiden uit de emissies van industriële ETS-installaties vanaf 2013 in de eerste figuur. Deze nemen duidelijk toe ten opzichte van de voorgaande periode.

In de derde handelsperiode nemen de emissies van industriële installaties die onder het ETS vallen toe, met 5 % in 2017 in vergelijking met 2013. Dit ondanks de energiebeleidsovereenkomsten die de Vlaamse Regering afsloot met ETS en niet-ETS ondernemingen en die het Benchmarking- en Auditconvenant vervangen. Bedrijven die toetreden tot deze energiebeleidsovereenkomsten engageren zich om de nodige maatregelen te nemen om zo bij te dragen aan de Vlaamse CO2- en energie-efficiëntiedoelstellingen. In totaal sloten 141 ETS-bedrijven zich aan tot deze overeenkomst. In het gehele Europese ETS, stagneren de emissies van industriële installaties sinds 2013.

De toename in scope, gaat in 2013 niet gepaard met een toename van het aantal gratis emissierechten (figuur 3). Deze volstaan dus niet meer voor alle ETS installaties in Vlaanderen (voor individuele bedrijven is de situatie zeer verschillend en kunnen de gratis emissierechten nog wel voldoende zijn). Dit neemt niet weg dat vele bedrijven die tot het ETS behoren in de tweede handelsperiode aanzienlijke reserves aan emissierechten hebben kunnen opbouwen, die in de derde handelsperiode gebruikt kunnen worden om tekorten aan te vullen. Dit zorgde ervoor dat de prijs van emissierechten niet sterk toenam. Tussen 2012 en 2017 was de prijs voor één ETS emissierecht relatief stabiel en minder dan €10/ton CO2-eq. Sinds juli 2017 zijn de prijzen voor ETS emissierechten echter sterk aan het toenemen, met als hoogtepunt een prijs boven de €20 in september 2018. De drijvende kracht achter deze toename is de start van de strategische marktreserve in 2019. Verwacht wordt dat deze hogere prijzen voor ETS emissierechten zullen aanhouden.

Vierde handelsperiode

De vierde handelsperiode zal in 2021 van start gaan en dit zal opnieuw gepaard gaan met een aantal belangrijke aanpassingen aan het ETS. Deze aanpassingen moeten het ETS in lijn brengen met de 2030 doelstelling. De nieuwe ETS richtlijn omvat volgende belangrijke aanpassingen:

  1. Strikter reductiepad. Om de 2030 doelstelling te halen moeten de ETS emissies omlaag met 43 % in vergelijking met 2005. Om deze doelstelling te halen zal het aantal emissierechten worden afgebouwd vanaf 2021 met 2,2 % per jaar (in de derde handelsperiode is dit slechts 1,74 %).
  2. Strengere regels om carbon leakage te vermijden. In de derde handelsperiode werden industrieën die vatbaar zijn voor carbon leakage beschermd door allocatie van gratis emissierechten en dit zal ook in de vierde handelsperiode verdergezet worden. Wel zal het systeem strenger gemaakt worden waardoor meer deelsectoren een verminderd aantal gratis emissierechten zal krijgen. Deze bedrijven krijgen initieel nog 30 % van hun benodigde emissierechten gratis, maar dit zal gedurende de handelsperiode verminderen tot 0 % in 2030. Dit zal echter voornamelijk een impact hebben op het aantal bedrijven en niet op de emissies aangezien de belangrijkste uitstoters nog op gratis emissierechten zullen kunnen rekenen.
  3. Geen internationale emissierechten. ETS installaties zullen geen gebruik meer kunnen maken van emissierechten van internationale projecten, zoals CDM of JI. De mogelijkheid is wel gelaten om het EU ETS te koppelen aan andere gelijkaardige koolstof marktmechanismen, zoals ook opgenomen in het Klimaatakkoord van Parijs.  

[1] Het CDM en JI zijn de internationale mechanismes waarbij ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen projecten kunnen opstarten die resulteren in geverifieerde emissiereducties en die verhandeld kunnen worden op de internationale koolstofmarkt.

[2] Verschillende bedrijven die moesten toetreden tot het ETS waren zeer bezorgd dat de additionele kosten voor emissiekredieten hen een concurrentieel nadeel zouden geven ten opzichte van niet-EU bedrijven. De prijs van in Europa geproduceerde producten (zoals staal) zou hierdoor namelijk kunnen toenemen en als effect hebben dat meer producten die buiten de EU worden geproduceerd worden gekocht. Deze worden bovendien vaak minder efficient geproduceerd. Het gevolg is een verplaatsing van de productie (en de bijbehorende emissies) naar landen buiten de EU. 

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid