Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Klimaatverandering / Broeikasgasemissies (ETS en niet-ETS)

Totale emissie van broeikasgassen met opdeling tussen ETS en niet-ETS (CO2, CH4, N2O, SF6, HFK's, PFK's, NF3)

De klimaatveranderingen die we de laatste 50 jaar waarnemen zijn met heel grote waarschijnlijkheid mede toe te schrijven aan menselijke activiteiten die de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer verhogen: voornamelijk het gebruik van fossiele brandstoffen en ontbossing. Die activiteiten gaan immers gepaard met een netto uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer.

Deze indicator gaat na in hoeverre de totale uitstoot van broeikasgasemissies in Vlaanderen evolueert per gas, en maakt ook een onderscheid tussen:

  • emissies die wel onder het Europees emissiehandelssysteem vallen (ETS): voornamelijk afkomstig uit de sectoren energie en industrie;
  • emissies die niet onder het Europees emissiehandelssysteem vallen (niet-ETS): emissies door transport, huishoudens, handel & diensten, landbouw en enkele onderdelen van de sectoren industrie en energie.
Evaluatie: Icon negatief
Laatst bijgewerkt: augustus 2020
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Johan Brouwers

Kleine toename van de broeikasgasuitstoot in 2018

In 2018 nam de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen toe in vergelijking met 2017, met 0,162 Mton CO2-eq. De totale uitstoot van CO2, CH4, N2O en de fluorhoudende broeikasgassen (F-gassen: HFK's, PFK's, SF6 en NF3) kwam uit op 77,7 Mton CO2-eq. Bekeken over de periode 1990, 1995, 2000-2018 waren de totale broeikasgasemissies in 1995 het hoogste en in 2014 het laagste.

Over de periode 2005-2018 nemen de totale broeikasgasemissies geleidelijk af, met gemiddeld 1,0 Mton CO2-eq per jaar. Zowel voor CO2 (-12 Mton; -15 %), N2O (-1,7 Mton CO2-eq; -35 %) als CH4 (-0,4 Mton CO2-eq; -8 %) zien we een daling in die periode. In absolute waarden is de daling het grootst voor CO2 zelf, maar het is pas sinds 2011 dat deze emissies onder het peil van 1990 konden duiken. Het geheel van de F-gassen laat daarentegen een belangrijke stijging optekenen tussen 2005 en 2018 (+1,4 Mton CO2-eq; +68 %). Omdat de uitstoot van de meeste andere F-gassen een netto daling laat zien over de periode 2005-2018, is die stijging vooral terug te brengen tot een aanhoudende toename van de HFK-uitstoot. Die toename is vooral afkomstig van de chemische industrie en van koelinstallaties voor commerciële en industriële toepassingen. Inmiddels is een shift naar koelmiddelen met lagere GWP-waarde wel al ingezet onder impuls van EU-wetgeving, wat de komende jaren zou moeten resulteren in afnemende HFK-emissies uitgedrukt in CO2-eq.

Met de belangrijke daling van de CO2-emissies na 2005 lijkt de transitie naar een koolstofarmere economie ingezet. Toch tonen de recente resultaten aan dat deze trend nog zeer fragiel is: in de periode 2015-2018 blijken zowel de totale broeikasgasuitstoot als de emissies van CO2 afzonderlijk te stabiliseren in Vlaanderen. Ook de weersafhankelijkheid blijft belangrijk: in koudere winters neemt de uitstoot van CO2 ten gevolge van gebouwenverwarming weer toe.

Voor een bespreking van de emissies per sector en per activiteit verwijzen we naar 2 andere indicatoren.

Europese emissiehandel reguleert circa 40 % van de Vlaamse broeikasgasuitstoot

Sinds 2005 wordt het overgrote deel van de broeikasgasuitstoot in de sectoren industrie en energie gereguleerd via een systeem van Europese emissiehandel (het EU ETS). In de eerste handelsperiode van 2005-2007 viel gemiddeld 37 % van de broeikasgasemissies in Vlaanderen onder dit systeem. In de tweede (2008-2012) en derde handelsperiode (2013-2020) nam dit aandeel verder toe, tot respectievelijk 40 % en 41 % door een uitbreiding van activiteiten en gassen onder het ETS. De tweede figuur toont de reductiedoelstelling voor de gehele ETS (-21 % in 2020 en -43 % in 2030 in vergelijking met 2005), die enkel indicatief is weergegeven. De ETS-doelstelling is immers enkel van toepassing op de gehele Europese ETS en is niet verder verdeeld op lidstaat- of installatieniveau.

Vanaf 2013 kregen landen enkel nog doelstellingen voor niet-ETS emissies opgelegd

Met het Europese Energie- & Klimaatpakket beoogt de EU haar totale broeikasgasuitstoot met 20 % te verminderen in 2020 ten opzichte van 1990 of met 14 % in vergelijking met 2005. Deze intermediaire doelstelling moet de EU op het juiste pad zetten in de transitie naar een koolstofarme economie in 2050. Tegen 2050 streeft de EU immers naar een netto nul-uitstoot van broeikasgassen.

In een nog ruimere context werd mondiaal door 195 landen eind 2015 een eerste universeel klimaatakkoord gesloten in Parijs, het zogenaamde 'Paris Agreement'. Dit akkoord omvat een actieplan om de gemiddelde temperatuurtoename op aarde beneden de 2 °C te houden ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, en ambieert zelfs om die stijging te beperken tot 1,5 °C. Op 4 november 2016, het moment waarop voldoende landen zich er hadden achter geschaard, werd het akkoord van kracht. Sindsdien is het aantal landen dat het akkoord hebben geratificeerd toegenomen tot 187 (toestand 22 juni 2020). De Vlaamse Regering ratificeerde het akkoord op 7 oktober 2016, de Belgische op 7 april 2017. Als lid van de EU betekent dit voor België en Vlaanderen dat ze moeten bijdragen tot het behalen van een reductie van de broeikasgasuitstoot met minstens 40 % tegen 2030 (zie verder).

De EU-doelstelling voor 2020 is verdeeld over de ETS-fractie (-21 % in 2020 in vergelijking met 2005) en de niet-ETS-fractie (-10 % in 2020 in vergelijking met 2005, waarbij een lineair reductiepad wordt gevolgd dat start in 2013). Enkel de doelstelling voor niet-ETS is verder verdeeld over de verschillende lidstaten, afhankelijk van hun (financiële) mogelijkheden.

Lidstaten krijgen van de EU emissierechten overeenkomstig de doelstelling die ze opgelegd kregen. Lidstaten die erin slagen hun emissies in een bepaald jaar verder terug te dringen dan de doelstelling, zullen emissierechten over hebben die ze kunnen opsparen voor later in de periode 2013-2020 of verkopen aan andere lidstaten. Daarnaast kunnen lidstaten een tekort wegwerken door emissierechten van andere lidstaten aan te kopen of via de financiering van emissie-reducerende projecten in het buitenland.

Zo’n traject laat lidstaten toe om de emissies gradueel te laten afnemen en houdt er ook rekening mee dat de impact van bepaalde maatregelen (bv. energiebesparende maatregelen in woningen) slechts langzaam tot emissiereducties leiden. De tussentijdse doelstelling voor het jaar 2013 stemt overeen met de gemiddelde uitstoot in de jaren 2008-2010, en is bepalend voor de totale emissiereductie die gerealiseerd moet worden over de periode 2013-2020. De einddoelstelling voor België in 2020 is een reductie met 15 % van de niet-ETS uitstoot in vergelijking met 2005. Deze Belgische doelstelling werd verder verdeeld over de gewesten. Vlaanderen heeft zich geëngageerd om de emissies met 15,7 % te doen afnemen in 2020. Deze doelstelling, en het reductiepad tussen 2013 en 2020, is weergegeven op de tweede figuur.

Zoals de tweede figuur aantoont zijn de niet-ETS-emissies in Vlaanderen in de periode 2013-2018 nauwelijks afgenomen (-0,9 %). Eerst lagen die emissies nog onder het pad van de niet-ETS-doelstelling[1], maar sinds 2016 liggen de niet-ETS emissies echter boven het vooropgestelde traject. Anderzijds valt te verwachten dat COVID-19 en de bijhorende maatregelen een belangrijk effect zullen hebben op de niet-ETS broeikasgasemissies in 2020.

Een nieuw Europees klimaat- en energiebeleidskader vanaf 2021

Het Europese Energie- en Klimaatpakket dat startte in 2013, zal in 2020 ten einde lopen en vervangen worden door een nieuw Europees beleidskader: het Klimaat- en Energiekader voor 2030 (The EU 2030 Climate and Energy Framework). De doelstelling van dit kader is om de broeikasgasemissies in Europa te doen dalen met 40 % tegen 2030. Dit zal gerealiseerd worden door nieuwe beleidsinstrumenten, voortbouwend op het bestaande Europese beleidsinstrumentarium.

Wat betreft niet-ETS emissies is de nieuwe Europese doelstelling om deze met 30 % te doen afnemen in 2030 ten opzichte van 2005 (deze regelgeving wordt de Effort Sharing Regulation genoemd). Voor België is de doelstelling een afname van de emissies met 35 %. Zoals in de periode 2013-2030 zal er een reductiepad worden opgelegd voor niet-ETS emissies. Het beginpunt in 2021 wordt bepaald door de gemiddelde emissies in de periode 2016-2018. Voor Vlaanderen werd dit indicatief traject in de tweede figuur opgenomen, uitgaande van de Vlaamse niet-ETS-emissies in 2005 en de Belgische 35 % doelstelling. Dit is consistent met de cijfers die in het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 werden opgenomen. De definitieve uitstootplafonds voor België voor de jaren 2021-2030 worden door de Europese Commissie vastgelegd eind 2020. Daarna moet de bijdrage die België moet leveren aan de Europese klimaatdoelstelling verder opgedeeld worden tussen de gewesten en de Federale overheid. In afwachting van een intra-Belgische verdeling van de Belgische niet ETS-doelstelling is de precieze doelstelling voor Vlaanderen nog niet gekend.

De aanpassingen aan het ETS staan in meer detail beschreven hier.

Wat betreft de broeikasgasemissies door veranderingen in landgebruik (Land Use, Land Use Change and Forestry of LULUCF), krijgen landen de bindende doelstelling om eventuele emissies door verandering van landgebruik, zoals ontbossing, volledig te compenseren door minstens een evenredige opname van CO2 in deze sector. Dit kan door de natuurlijke opname van CO2 door bossen te verbeteren of door herbebossing.

Om hernieuwbare energie te promoten wordt een algemene en bindende EU-doelstelling naar voor geschoven. In 2030 moet minstens 32 % van het finale energiegebruik afkomstig zijn van hernieuwbare energiebronnen. Deze doelstelling is niet vertaald in bindende nationale doelstellingen. De individuele landen zullen zelf hun ambitieniveau moeten bepalen en voorstellen. De richtlijn voorziet wel stappen die genomen kunnen worden indien het gezamenlijke ambitieniveau van de lidstaten niet voldoende zou zijn om de Europese doelstelling te behalen.

Om energie-efficiëntie te promoten is er een algemene en niet-bindende EU-doelstelling: in 2030 moet de energie-efficiëntie met 32,5 % verbeteren ten opzichte van 2005. Dit doel wordt ondersteund door flankerend Europees beleid, zoals de richtlijn rond energie-efficiëntie van gebouwen en de eco-designrichtlijn.

Het klimaat- en energiebeleid wordt ook meer en meer verstrengeld op Europees niveau met de Energie Unie. De Energie Unie heeft als doel bij te dragen tot een duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar Europees energiesysteem door in te zetten op vijf dimensies: decarbonisatie, energie-efficiëntie, een interne energiemarkt, energiezekerheid en onderzoek & ontwikkeling. Een belangrijk aspect van de Energie Unie is de wetgeving rond het opvolgen van het klimaat- en energiebeleid. Dit zal vanaf 2021 onder één richtlijn vallen met als doel om verschillende rapportering rond deze vijf dimensies beter met elkaar te integreren. Een eerste belangrijk rapport dat de lidstaten moeten opstellen zijn de Nationale Energie en Klimaatplannen. Hierin moeten landen verduidelijken welk beleid ze zullen voeren om de doelstellingen van de Energie Unie te realiseren. Het finale klimaatplan (tot 2030) en de lange termijnstrategie (tot 2050) van België (plan; strategie) en Vlaanderen (plan; strategie) zijn online beschikbaar.

Een Green Deal voor Europa

De nieuwe Europese Commissie van von der Leyen onderstreepte eind 2019 het belang van klimaatbeleid met de lancering van de European Green Deal. De opzet is om duurzaamheid verder te integreren met andere beleidsdomeinen en te koppelen aan een nieuwe Europese groeistrategie. Zo wordt bijvoorbeeld het industrieel beleid gekoppeld aan een actieplan voor een circulaire economie en beoogt de ‘Farm to Fork’-strategie een duurzamere landbouw. Wat betreft klimaat springt de aanscherping van de ambitie op lange en korte termijn het meest in het oog. Zo wil de Europese Commissie de eigen klimaatambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn verankeren in een klimaatwet. Om dit doel haalbaarder te maken en om tegemoet te komen aan de internationale verplichtingen van het Klimaatakkoord van Parijs, onderzoekt de Commissie ook een herziening van de 2030 doelstelling. Verschillende opties liggen op tafel om de huidige -40% doelstelling te vervangen door een -50% of ambitieuzere doelstelling. Dit moet in het najaar van 2020 duidelijk worden. Deze verhoging van het ambitieniveau zal ook implicaties hebben voor ander Europees energie- en klimaatbeleid, zoals het ETS, dat aangepast zal moeten worden om compatibel te zijn met een nieuwe doelstelling. Om deze ambities te kunnen realiseren zijn bijkomende investeringen meer dan nodig. Dit zal onder meer gebeuren door een investeringsplan voor de Europese Green Deal (waarin de Europese Investeringsbank een belangrijke rol speelt), een Just Transition Fund (dat moet toezien dat de transitie sociaal rechtvaardig is) en de financiering in projecten via de inkomsten van het EU ETS (via het Innovation en Modernisation Fund).

 

[1] De ESD-emissies opgenomen in de grafiek zijn de cijfers van de meest recente inventaris (2020). Deze kunnen afwijken van de cijfers gebruikt voor de officiële afrekeningen onder de ESD, die gebaseerd zijn op de eerst gerapporteerde cijfers. Bijvoorbeeld voor 2014 is de afrekening gebaseerd op de inventaris zoals ingediend in 2016, terwijl de cijfers opgenomen in deze figuur overeenstemmen met de inventaris zoals ingediend in 2020. De cijfers gebruikt voor de afrekeningen zijn te vinden via https://www.cnc-nkc.be/nl/reports, onder "gewestelijke ESD saldi".

www.milieurapport.be is een officiële website van de Vlaamse overheid

Elke dag opnieuw werkt de Vlaamse Milieumaatschappij aan het milieu van morgen. Water, lucht en milieurapportering zijn onze kerntaken.