Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Klimaatverandering / Totale uitstoot (ETS en niet-ETS)

Totale emissie van broeikasgassen met opdeling tussen ETS en niet-ETS (CO2, CH4, N2O, SF6, HFK's, PFK's, NF3)

De klimaatveranderingen die we de laatste 50 jaar waarnemen zijn met heel grote waarschijnlijkheid mede toe te schrijven aan menselijke activiteiten die de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer verhogen: voornamelijk het gebruik van fossiele brandstoffen en ontbossing. Die activiteiten gaan immers gepaard met een netto uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer.

Deze indicator gaat na in hoeverre de totale uitstoot van broeikasgasemissies in Vlaanderen evolueert per gas, en maakt ook een onderscheid tussen

  • emissies die wel onder het Europees emissiehandelssysteem vallen (ETS): voornamelijk afkomstig uit de sectoren energie en industrie;
  • emissies die niet onder het Europees emissiehandelssysteem vallen (niet-ETS): emissies door transport, huishoudens, handel & diensten, landbouw en enkele onderdelen van de sectoren industrie en energie.
Evaluatie:
Laatst bijgewerkt: december 2018
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Johan Brouwers

Kleine toename van de broeikasgasuitstoot in 2016

In 2016 nam de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen toe in vergelijking met 2015, namelijk met 0,45 Mton CO2-eq (eerste figuur). De totale uitstoot van CO2, CH4, N2O en de fluorhoudende broeikasgassen (F-gassen: HFK's, PFK's, SF6 en NF3) kwam uit op 77,5 Mton CO2-eq. Bekeken over de periode 1990-2016 was de totale broeikasgasuitstoot in 2014 het laagst en in 1995 het hoogst.

Tussen 1990 en 2004 nam de broeikasgasuitstoot eerder toe. Dit ondanks belangrijke maatregelen inzake PFK's en SF6 (installatie fluoriderecuperatie-eenheid in één chemisch bedrijf), N2O (ingebruikname katalysatoren in de chemische industrie; daling veestapel) en CH4 (valorisatie stortgas en beperking op storten van afval; daling veestapel). De emissies van deze gassen daalden, maar in dezelfde periode nam de emissie van CO2 nog verder toe, met een netto toename van de totale broeikasgasuitstoot tot gevolg.

Over de periode 2005-2016 nemen de totale broeikasgasemissies wel af, met gemiddeld 1,1 Mton CO2-eq. per jaar. Vanaf 2005 beginnen immers ook de CO2-emissies, die voornamelijk het gevolg zijn van de verbranding van fossiele brandstoffen, af te nemen. In 2011 duikt de CO2-uitstoot voor de eerste keer onder het niveau van de emissies in 1990. Ook daarna blijven de CO2-emissies verder afnemen en lijkt de transitie naar een koolstofarme economie ingezet. Toch tonen de opverende emissies in 2015 en 2016 aan dat deze trend nog zeer fragiel is en dat in een aantal sectoren, zoals transport, weinig vooruitgang wordt geboekt in het reduceren van de broeikasgasemissies. 2016 was bovendien een relatief koud jaar. De grotere warmtevraag voor gebouwen in 2016 dreef de uitstoot van broeikasgassen verder de hoogte in.

Voor een bespreking van de emissies per sector en per activiteit verwijzen we naar 2 andere indicatoren.

Europese emissiehandel reguleert circa 40 % van de Vlaamse broeikasgasuitstoot

Sinds 2005 wordt het overgrote deel van de broeikasgasuitstoot in de sectoren industrie en energie gereguleerd via een systeem van Europese emissiehandel (het EU ETS). In de eerste handelsperiode van 2005-2007 viel gemiddeld 38 % van de broeikasgasemissies in Vlaanderen onder dit systeem (tweede figuur). In de tweede (2008-2012) en derde handelsperiode (2013-2020) nam dit ETS-aandeel verder toe, tot respectievelijk 41 % en 42 % door een uitbreiding van activiteiten en gassen onder het ETS. De figuur toont de reductiedoelstelling voor de gehele ETS (-21 % in 2020 en -43% in 2030 in vergelijking met 2005), die enkel indicatief is weergegeven. De ETS-doelstelling is immers enkel van toepassing op de gehele Europese ETS en is niet verder verdeeld op lidstaat- of installatie-niveau. De ogenschijnlijke stagnatie van de ETS-emissies is onder meer te wijten aan de toename van het aantal bedrijven dat tot het ETS moest toetreden met elke nieuwe handelsperiode.

Vanaf 2013 kregen landen enkel nog doelstellingen voor niet-ETS emissies opgelegd

Met het Europese Energie- & Klimaatpakket beoogt de EU haar totale broeikasgasuitstoot met 20 % te verminderen in 2020 ten opzichte van 1990 of met 14 % in vergelijking met 2005. Deze intermediaire doelstelling moet de EU op het juiste pad zetten in de transitie naar een koolstofarme economie in 2050. Tegen 2050 streeft de EU immers naar een uitstootreductie met 80 à 95 %.

In een nog ruimere context werd mondiaal door 195 landen eind 2015 een eerste universeel klimaatakkoord gesloten in Parijs, het zogenaamde 'Paris Agreement'. Dit akkoord omvat een actieplan om de gemiddelde temperatuurtoename op aarde beneden de 2 °C te houden ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, en ambieert zelfs om die stijging te beperken tot 1,5 °C. Op 4 november 2016, het moment waarop voldoende landen zich er hadden achter geschaard, werd het akkoord van kracht. Sindsdien is het aantal landen dat het akkoord hebben geratificeerd toegenomen tot 184 (toestand 3 december 2018). De Vlaamse Regering ratificeerde het akkoord op 7 oktober 2016, de Belgische op 7 april 2017. Als lid van de EU betekent dit voor België en Vlaanderen dat ze zullen moeten bijdragen tot het behalen van een reductie van de broeikasgasuitstoot met minstens 40 % tegen 2030 (zie verder).

De EU-doelstelling voor 2020 is verdeeld over de ETS-fractie (-21 % in 2020 in vergelijking met 2005) en de niet-ETS-fractie (-10 % in 2020 in vergelijking met 2005, waarbij een lineair reductiepad wordt gevolgd dat start in 2013). Enkel de doelstelling voor niet-ETS is verder verdeeld over de verschillende lidstaten, afhankelijk van hun (financiële) mogelijkheden.

Lidstaten krijgen van de EU emissierechten overeenkomstig de doelstelling die ze opgelegd kregen. Lidstaten die erin slagen hun emissies in een bepaald jaar verder terug te dringen dan de doelstelling, zullen emissierechten over hebben die ze kunnen opsparen voor later of verkopen aan andere lidstaten. Lidstaten die de doelstelling niet halen, kunnen hun tekort wegwerken door emissierechten van andere lidstaten aan te kopen of via de financiering van emissiereducerende projecten in het buitenland.

Zo’n traject laat lidstaten toe om de emissies gradueel te laten afnemen en houdt er ook rekening mee dat de impact van bepaalde maatregelen (bv. energiebesparende maatregelen in woningen) slechts langzaam tot emissiereducties leiden. Maar de tussentijdse doelstelling voor het jaar 2013 – die overeenstemt met de gemiddelde uitstoot in de jaren 2008-2010 – is ook bepalend voor de totale emissiereductie die gerealiseerd moet worden over de periode 2013-2020. Indien het vertrekpunt van het reductietraject in 2013 relatief hoog ligt, moeten lidstaten in de aanvangsperiode niet veel bijkomende maatregelen nemen om te voldoen aan de doelstelling en kunnen ze emissierechten opsparen om te gebruiken in latere jaren. Dit is ook het geval voor België en Vlaanderen waar 2010 koude wintermaanden kende met een hoge verwarmingsbehoefte en dito broeikasgasuitstoot.

De einddoelstelling voor België in 2020 is een reductie met 15 % van de niet-ETS uitstoot in vergelijking met 2005. Deze Belgische doelstelling werd verder verdeeld over de gewesten. Vlaanderen heeft zich geëngageerd om de emissies met 15,7 % te doen afnemen in 2020. Deze doelstelling, en het reductiepad tussen 2013 en 2020, is indicatief weergegeven op de tweede figuur. Bij de interpretatie van deze figuur moet ten slotte ook rekening gehouden worden met het feit dat de afname in niet-ETS emissies gedeeltelijk verklaard kan worden door een verschuiving van de emissies naar de ETS-fractie door uitbreiding van de emissiehandel na de eerste (2005-2007) en tweede (2008-2012) handelsperiode.

Zoals de tweede figuur aantoont zijn de niet-ETS emissies in Vlaanderen in de periode 2013-2015 al afgenomen en lagen ze onder het pad van de niet-ETS doelstelling. In 2016 liggen de niet-ETS-emissies echter boven het vooropgestelde traject. Projecties geven aan dat deze recente evolutie zich zal verderzetten naar 2020, waardoor de totale niet-ETS-broeikasgasemissie in de periode 2013-2020 6 Mton CO2-eq. hoger kan uitkomen dan de niet-ETS-doelstelling.

Een nieuw Europees klimaat- en energiebeleidskader vanaf 2021

Het Europese Energie- en Klimaatpakket dat startte in 2013, zal in 2020 ten einde lopen en vervangen worden door een nieuw Europees beleidskader: het Klimaat- en Energiekader voor 2030 (The EU 2030 Climate and Energy Framework). De doelstelling van dit kader is om de broeikasgasemissies in Europa te doen dalen met 40 % tegen 2030. Dit zal gerealiseerd worden door nieuwe beleidsinstrumenten, voortbouwend op het bestaande Europese beleidsinstrumentarium:

  • Wat betreft niet-ETS emissies is de nieuwe Europese doelstelling om deze met 30 % te doen afnemen in 2030 ten opzichte van 2005 (deze regelgeving wordt de Effort Sharing Regulation genoemd). Voor België is de doelstelling een afname van de emissies met 35 %. Zoals in de periode 2013-2030 zal er een reductiepad worden opgelegd voor niet-ETS emissies. Het beginpunt in 2021 wordt bepaald door de gemiddelde emissies in de periode 2016-2018. Voor Vlaanderen werd dit indicatief traject in de tweede figuur opgenomen, uitgaande van de Vlaamse niet-ETS-emissies in 2005 en de Belgische 35 % doelstelling. Dit is consistent met de cijfers die in het voorontwerp van een Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 van juli 2018 werden opgenomen. De definitieve uitstootplafonds voor België voor de jaren 2021-2030 worden door de Europese Commissie vastgelegd in 2020. Daarna moet de bijdrage die België moet leveren aan de Europese klimaatdoelstelling verder opgedeeld worden tussen de gewesten en de federale overheid. In afwachting van een intra-Belgische verdeling van de Belgische niet-ETS-doelstelling is de precieze doelstelling voor Vlaanderen nog niet gekend.
  • De aanpassingen aan het ETS staan in meer detail beschreven hier.
  • Wat betreft de broeikasgasemissies door veranderingen in landgebruik (Land Use, Land Use Change and Forestry of LULUCF), krijgen landen de bindende doelstelling om eventuele emissies door verandering van landgebruik, zoals ontbossing, volledig te compenseren door minstens een evenredige opname van CO2 in deze sector. Dit kan door de natuurlijke opname van CO2 door bossen te verbeteren of door herbebossing.
  • Om hernieuwbare energie te promoten wordt een algemene en bindende EU-doelstelling naar voor geschoven. In 2030 moet minstens 32 % van het finale energiegebruik afkomstig zijn van hernieuwbare energiebronnen. Deze doelstelling is niet vertaald in bindende nationale doelstellingen. De individuele landen zullen zelf hun ambitieniveau moeten bepalen en voorstellen. De richtlijn voorziet wel stappen die genomen kunnen worden indien het gezamenlijke ambitieniveau van de lidstaten niet voldoende zou zijn om de Europese doelstelling te behalen.
  • Om energie-efficiëntie te promoten is er een algemene en niet-bindende EU-doelstelling: in 2030 moet de energie-efficiëntie met 32,5 % verbeteren ten opzichte van 2005. Dit doel wordt ondersteund door flankerend Europees beleid, zoals de richtlijn rond energie-efficiëntie van gebouwen en de eco-designrichtlijn.
  • Het klimaat- en energiebeleid wordt ook meer en meer verstrengeld op Europees niveau met de Energie Unie. De Energie Unie heeft als doel bij te dragen tot een duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar Europees energiesysteem door in te zetten op vijf dimensies: decarbonisatie, energie-efficiëntie, een interne energiemarkt, energiezekerheid en onderzoek en ontwikkeling. Een belangrijk aspect van de Energie Unie is de wetgeving rond het opvolgen van het klimaat- en energiebeleid. Dit zal vanaf 2021 onder één richtlijn vallen met als doel om verschillende rapportering rond deze vijf dimensies beter met elkaar te integreren. Een eerste belangrijk rapport dat de lidstaten moeten opstellen zijn de Nationale Energie en Klimaatplannen. Hierin moeten landen verduidelijken welk beleid ze zullen voeren om de doelstellingen van de Energie Unie te realiseren.
Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid