Vlaanderen.be www.milieurapport.be
Je bent hier: Home / Milieuthema's / Klimaatverandering / Broeikasgasemissies per activiteit

Emissie broeikasgassen per activiteit (CO2, CH4, N2O, SF6, HFK's, PFK's, NF3)

Energiegebruik zorgt voor het gros van de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen. Maar ook andere activiteiten leveren een bijdrage aan de broeikasgasemissies.

Deze indicator brengt de aandelen van de belangrijkste activiteiten in beeld, en tracht de belangrijkste evoluties ook te duiden. Bijkomend zoomt een beknopte decompositie-analyse in op enkele verklarende factoren voor het verloop van de broeikasgasuitstoot.

Evaluatie: niet van toepassing
Laatst bijgewerkt: november 2019
Actualisatie: Jaarlijks
Contactpersoon: Johan Brouwers

Energiegebruik blijft broeikasgasuitstoot domineren

In 2017 was 73 % van de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen een direct gevolg van energiegebruik en de verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool, aardolie, aardgas en hun afgeleide producten; eerste figuur). Deze fossiele brandstoffen worden gebruikt en resulteren vooral in emissies door transport (28 %) en gebouwenverwarming (woningen, kantoren e.a.; 16 %). Maar ook het opwekken van elektriciteit was in 2015 nog altijd goed voor 22 % van de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen. Want ondanks het aanzienlijk aandeel kernenergie voor elektriciteitsopwekking en het toenemend gebruik van hernieuwbare energiebronnen, blijft Vlaanderen ook in 2017 nog voor 72 % afhankelijk van fossiele brandstoffen voor zijn bruto binnenlands energiegebruik (in 2005 was dit 77 %).

De emissies gerelateerd aan energiegebruik kenden een piek in 2003 en namen sindsdien geleidelijk af. In 2017 namen de energetische broeikasgasemissies nog af met 0,6 % in vergelijking met 2016. Vooral de vergelijking met 2005, dat als referentiepunt wordt gebruikt in het internationaal en Europese klimaatbeleid, is interessant. In vergelijking met 2005 zijn de energetische emissies met 18 % afgenomen en dragen op deze wijze bij tot het behalen van de emissiereductiedoelstellingen*. Deze algemene trend verbergt echter belangrijk verschillen tussen de sectoren. Zo namen de energiegerelateerde broeikasgasemissies duidelijk af na 2005 bij de energiesector en de huishoudens, maar nemen ze eerder toe bij transport. Na de economische crisis leken de emissies van transport zich te stabiliseren, maar sinds 2013 nemen die energetische emissies opnieuw sterk toe: met 6 % in 2017 in vergelijking met 2013. Ondanks verbeteringen in de energie-efficiëntie van voertuigen en het gebruik van biobrandstoffen, neemt de vraag voor personen- en goederentransport nog steeds toe. De opname van lage-koolstof alternatieven (zoals voortuigen aangedreven op aardgas of elektrische energie, waarbij in het laatste geval de emissies verschuiven naar de energiesector) blijft momenteel ook nog beperkt.

Decompositie van broeikasgasemissies

Een tweede figuur geeft de resultaten weer van een zogenaamde decompositie-analyse op de uitstoot van broeikasgassen. Zo'n analyse maakt het mogelijk de impact van onderliggende drijvende krachten te kwantificeren. De figuur toont de verandering in emissies ten opzichte van 2005 (zwarte lijn) en hoe verschillende factoren hiertoe hebben bijgedragen. Hieruit blijkt dat de mogelijke toename van de emissies door de groei van de bevolking en de economie, voornamelijk wordt gecompenseerd door verbeteringen in de energie-intensiteit (het finaal energiegebruik ten opzichte van het BBP). Dit wil zeggen dat het finaal energiegebruik (voornamelijk in de industrie, in gebouwen en voor transport) afnam, terwijl de economie groeide. Dit komt door een verbetering van de energie-efficientie bij eindgebruikers en de afname van het belang van de energie-intensieve industrie.

In mindere mate wordt de afname van de broeikasgasemissies verder verklaard door:

  • Een toename van het aandeel niet-fossiele energie (voornamelijk hernieuwbare energie) in het bruto binnenlands energiegebruik (effect niet-fossiele energie).
  • Een verbetering van de broeikasgasintensiteit van fossiele energie. We gebruiken dus niet alleen minder fossiele brandstoffen, verhoudingsgewijs leiden de nog gebruikte fossiele brandstoffen ook tot minder broeikasgasuitstoot. Dit kan verklaard worden door een relatieve toename van fossiele brandstoffen met een lagere emissiefactor, zoals aardgas.
  • Een verbetering van de verhouding tussen het finaal energiegebruik en het totale bruto binnenlands energiegebruik, op de grafiek aangeduid als energie-efficientie (transformatie). Er gaat dus minder energie verloren bij de omzetting van primaire energiebronnen (bv. aardolie) naar energiebronnen geschikt voor eindgebruikers (bv. benzine).

Het effect van de niet-energetische broeikasgasemissies is eerder klein en zelfs positief sinds 2013. Energetische emissies nemen dus sneller af en dragen meer bij tot de totale broeikasgasemissiereductie dan de niet-energetische emissies in de industrie, de landbouw en van afval.

Procesemissies chemie worden teruggedrongen

Na energiegebruik blijken chemische processen met een aandeel van 10 % de tweede grootste bron van broeikasgassen in Vlaanderen.. Een belangrijk deel van deze emissies is afkomstig van twee bronnen: de emissie van fluorhoudende broeikasgassen bij een aantal productieprocessen, en de N2O-emissies bij de productie van salpeterzuur en caprolactam.

De emissie van fluorhoudende broeikasgassen is voornamelijk belangrijk tot midden jaren '90, en liep dan op tot een vijfde van alle niet-energetische emissies. Het gros daarvan was afkomstig van één chemisch bedrijf, en de installatie van een naverbrandingsinstallatie gecombineerd met een fluoriderecuperatie-eenheid resulteerde in een sterke emissie-afname op korte tijd. Daardoor zijn in 2000 deze fluorhoudende broeikasgassen nog maar goed voor 5 % van niet-energetische emissies. Fluorhoudende broeikasgassen worden voornamelijk gebruikt als koelmiddel in verschillende toepassingen, zoals commerciële en industriële koelinstallaties en airconditioning in gebouwen en voertuigen. Het gebruik van deze koelmiddelen is sinds 2000 wel toegenomen, waardoor het aandeel van de fluorhoudende gassen in de niet-energetische broeikasgasuitstoot opnieuw gestegen is naar 10 %. Maar internationaal, Europees en Vlaams beleid moet deze trend kenteren in de nabije toekomst.

De Vlaamse overheid heeft ook afspraken gemaakt met de producenten van salpeterzuur en caprolactam om de emissies van N2O terug te dringen zonder verlies van productiecapaciteit. Onder andere door het inbouwen van katalysatoren in de productie-installaties van salpeterzuur, konden de emissies sterk teruggedrongen worden.

Ook veestapel belangrijke emissiebron in Vlaanderen

Emissies gerelateerd aan veeteelt vormen ook een belangrijks bron van broeikasgassen in Vlaanderen (5,5 %). Het betreft vooral de uitstoot van methaan (CH4) en lachgas (N2O). Hierbij worden zowel directe emissies verrekend (bv. ten gevolge van spijsvertering en mestopslag) als indirecte emissies (bv. emissies uit weilanden). Deze emissies namen sterk af tussen 1990 en 2005 (met 18 % ten opzichte van 1990), maar kennen sindsdien opnieuw een stijging die zich ook in 2017 doorzet. De emissies zijn met 9 % toegenomen sinds 2005 in de veeteelt.

Het verloop van deze emissies sluit sterk aan bij de evolutie van de veestapel. Sinds 2009 stijgt de veestapel (en de bijhorende broeikasgasuitstoot) terug door de uitbreidingsmogelijkheden geboden in het mestbeleid: mits onder meer mestverwerking kan een bedrijf zijn veestapel uitbreiden. Dat leidde vooral tot een aangroei van de pluimveestapel, aangezien pluimveemest het meest eenvoudig te verwerken is. Daarnaast heeft de sterke afname van runderen tot 2008 zich niet verder doorgezet en blijft de rundveestapel de laatste jaren vrij stabiel.

Sterke emissiedaling bij afvalverwerking blijft aanhouden

Het afvalbeleid, waar opeenvolgende Vlaamse Ministers van Leefmilieu doelstellingen formuleerden om de hoeveelheid (gestort en ander) afval terug te brengen, blijkt succesvol en ook een positieve weerslag te hebben op de broeikasgasuitstoot. De dalende trend voor de emissies van CO2 en CH4 uit afvalverwerking (zonder energierecuperatie) blijft aanhouden met gemiddeld bijna 80 kton CO2-eq per jaar sinds 2000. Vooral de invoering van een stortverbod en de nuttige aanwending (energieproductie) van CH4-emissies uit de bestaande afvalstorten deden de methaanuitstoot van afvalstorten sterk terugvallen.

De overige niet-energetische emissies bestaan voor de helft uit procesgebonden CO2-emissies bij de ijzer- en staalproductie. Deze schommelen jaarlijks tussen de 3,1 en 5,2 Mton CO2, maar de laatste jaren blijft die uitstoot schommelen rond 4 Mton.

* De doelstelling tegen 2020 voor emissies die niet onder het ETS vallen, werd vertaald in een reductietraject voor de periode 2013-2020 met voor elk jaar een tussentijdse doelstelling. Van 2013 tot en met 2017 waren de broeikasgasemissies in Vlaanderen lager of zeer gelijkaardig aan het vooropgestelde reductiepad. De projecties met huidig beleid tonen echter aan dat dit niet langer het geval is voor de komende jaren en dat de emissies dan hoger zullen zijn dan de doelstelling.

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid