Deel deze pagina

Verzenden

Productie van biobrandstoffen voor eindgebruikers

Onder ’biobrandstoffen’ verstaan we alle brandstoffen voor transport geproduceerd uit plantaardig of dierlijk materiaal. Biobrandstoffen kunnen helpen om de netto CO2-uitstoot van transport terug te dringen wanneer ze gebruikt worden ter vervanging van fossiele brandstoffen zoals diesel en benzine. Deze indicator beschrijft de productie van biobrandstoffen in Vlaanderen/België.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

De verdeling tussen effectieve productie bestemd voor de Belgische markt en voor de export gebeurt indicatief op basis van de jaarlijks geproduceerde hoeveelheden biobrandstoffen met accijnsreductie.

Bron: MIRA op basis van Global Agricultural Information Network, European Biodiesel Board, VITO en EUROBSERV'ER (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Doelstellingen

Er bestaan geen doelstellingen voor de productie van biobrandstoffen, enkel voor het gebruik ervan.

Van 1ste over 2de naar 3de generatie

Vloeibare biobrandstoffen van de 1ste generatie zijn pure plantaardige olie (PPO), biodiesel, bio-ethanol en bio-ETBE. Ze worden meestal geproduceerd uit voedselgewassen zoals koolzaad, maïs, graan en suikerbiet.

Biobrandstoffen zijn in principe CO2-neutraal: bij de verbranding van de biomassa komt immers evenveel CO2 vrij als door de plant is opgenomen. Substitutie van fossiele energie door bio-energie zou daarom een CO2-reductie van 100 % kunnen opleveren. In de praktijk wordt echter fossiele energie gebruikt bij de productie van biomassa (meststoffen, pesticiden, grondbewerking, oogst, …), en bij het transport en de conversie ervan. Daarom variëren cijfers over de werkelijke emissiereductie van CO2 afhankelijk van bron en berekeningsmethode tussen 30 en 50 %. Sommige studies geven zelfs nauwelijks CO2-reductie aan, vooral wanneer ook wijzigingen in het landgebruik worden verrekend. Door de inzet van bestaand akkerland voor de teelt van energiegewassen bestaat immers het gevaar dat elders bestaande bossen worden gerooid of natuurgebied ingenomen om in het nodige voedsel te voorzien.

Verhoging van de energie-efficiëntie en de CO2-reductie zijn de voornaamste leidmotieven in het onderzoek naar de productie van bio-energie. Dit is dan ook het voordeel van de zogenaamde 2de generatie biobrandstoffen (te winnen uit technologieën in ontwikkeling). Zij worden verwacht de eerstkomende jaren hun intrede te doen op de commerciële markt en de zogenaamde 1ste generatie (de huidige) bio-brandstoffen op zijn minst gedeeltelijk te vervangen. Van 2de generatie biobrandstoffen wordt verwacht dat ze een CO2-reductie kunnen behalen tot 90 %. Men kan ze winnen uit afvaloliën en -vetten, oogstresten (bv. stro, tarwezemelen, lege maïskolven of -stengels) of hout(afval) i.p.v. uit speciaal daarvoor geteelde gewassen, wat meteen ook concurrentie met de voedselvoorziening tegengaat. Maar ook bij deze 2de generatie blijft aandacht nodig om ongewenste effecten tegen te gaan. Zo kan intensief gebruik van oogstresten leiden tot een verschraling van de bodem met een verminderde bodemvruchtbaarheid en een beperking van de CO2-opname in de bodem tot gevolg.

Er gebeurt ook al onderzoek naar biobrandstoffen van de 3de generatie. Deze worden gewonnen uit algenkweek. Maar productie op commerciële schaal wordt wellicht pas binnen een 15-tal jaren mogelijk. Eerst moeten de productiekosten nog met een factor 10 teruggedrongen kunnen worden.

Productie van biobrandstoffen liep vertraging op

Om de prijsconcurrentie met gewone diesel en benzine toe te laten, stelde de federale regering de productie van biobrandstoffen voor de inlandse markt enige tijd vrij van accijnzen. Na een offertevraag voor kandidaat-producenten, kende de federale regering accijnsvrije productiequota toe voor het gros van de hoeveelheden nodig om in 2010 de gebruiksdoelstelling van 5,75 % te halen. In totaal omvatten de quota een jaarlijkse productie van:
  • 380 000 m³ accijnsvrije biodiesel, waarvan 271 550 m³ bij 3 bedrijven in Vlaanderen (Bioro in Gent, Oleon in Ertvelde en Proviron in Oostende).
  • 250 000 m³ voor accijnsvrije bio-ethanol, waarvan 122 583 m³ toebedeeld aan 2 bedrijven in Vlaanderen (Alco Bio Fuel in Gent en Tereos in Aalst).

Wanneer in een jaar de productiehoeveelheid beneden het quotum lag, was overdracht van accijnsvrije hoeveelheden naar de daaropvolgende jaren toegelaten. De accijnsvrijstelling liep aanvankelijk tot eind september 2013.

Door de laattijdige – pas in het najaar van 2006 – toewijzing van de productiequota hadden de meeste potentiële producenten de bouw van hun installaties uitgesteld. Pas in 2007 kwam de productie van behoorlijke hoeveelheden biodiesel in België op gang (figuur 1). Bio-ethanol wordt pas sinds midden 2008 op industriële schaal geproduceerd in België (figuur 2).

Productiecapaciteit bleef lang onderbenut

Toen duidelijk was dat de quota-volumes niet door de markt werden opgenomen, heeft de federale overheid beslist om bijkomend aan de accijnsvrijstelling vanaf 1 juli 2009 een verplichting op te leggen aan distributeurs van fossiele motorbrandstoffen om 4 % biobrandstoffen (op volumebasis) te mengen in diesel en benzine. Ook al was deze bijmengplicht enkel op de tweede jaarhelft van 2009 van toepassing, toch was het effect ervan op de geproduceerde hoeveelheden biodiesel en bio-ethanol dadelijk merkbaar. Toch draaiden ook in 2009 nog niet alle productie-installaties in België en Vlaanderen op hun maximale capaciteit. In 2010 en 2011 werd de sector geconfronteerd met de ongunstige combinatie van onder meer stijgende grondstofprijzen, een aangescherpt debat rond duurzaamheidscriteria en de invoer van goedkope biobrandstof van buiten de EU, waardoor de productiecapaciteit onderbenut bleef. Sinds 2014 moeten producenten van biobrandstoffen ook maandelijks het bewijs leveren omtrent het duurzaam karakter van de door hen geproduceerde hoeveelheden.

Toen duidelijk werd dat tegen eind september 2013 de werkelijke volumes biobrandstof die onder het steunregime in verbruik werden gesteld beduidend lager lagen dan de volumes waarvoor accijnsvrijstelling werd toegestaan, heeft de Belgische overheid de accijnsvrijstelling nog verlengd tot eind mei 2014 voor de nog resterende hoeveelheden.

Aangezien in Vlaanderen/België vooral diesel wordt ingezet voor wegtransport, liggen zowel de productiecapaceiten als de effectieve productiehoeveelheden van biodiesel jaar na jaar hoger dan deze voor bio-ethanol. Een deel van de productie wordt ook afgezet in de buurlanden. Hiervoor gold geen accijnsvrijstelling.

De cijfers omtrent de totale hoeveelheden in België geproduceerde biobrandstoffen (en het daaruit afgeleide cijfer van de hoeveelheden bestemd voor export) komen de laatste jaren steeds moeilijker beschikbaar. Door verschillende databronnen te combineren konden beide figuren toch aangevuld worden. Daarbij valt op dat zowel voor biodiesel als bio-ethanol de totale productie gestaag is blijven groeien tussen 2005/2008 en 2014. Voor wat de productie louter bestemd voor de inlandse markt betreft, werd in 2014 wel een belangrijke terugval genoteerd. Dit is terug te voeren tot het wegvallen van de accijnsvrijstelling voor biobrandstoffen op de inlandse markt in de loop van dat jaar.

Vooral voor biodiesel bleef de geïnstalleerde productiecapaciteit al die jaren onderbenut: de kloof tussen capaciteit en werkelijke productie verkleint, maar de benuttingsgraad voor biodiesel topte in 2014 af op 67 %. Voor bio-ethanol raakte de kloof wel overbrugd, in die mate zelfs dat in 2014 de werkelijke productie de productiecapaciteit met enkele procenten oversteeg. Wellicht was dit laatste mogelijk door het in 2014 op de markt brengen van eerder opgebouwde stocks.

Vooruitblik

De komende jaren wordt verwacht dat de productie van biobrandstoffen weer/nog zal toenemen. Reden daarvoor is een nieuwe wet die de minimale (en maximale) bijmengpercentages voor biobrandstoffen optrekt vanaf het derde kwartaal van 2014:

  • voor diesel geldt een minimaal mengpercentage van 5 vol% (7 vol% als maximum gelet op de gebruiksbeperkingen voor bestaande motoren);
  • voor benzine E5 geldt een mengpercentage tussen 3 en 5 vol% en voor benzine E10 geldt een mengpercentage tussen 8 en 10 vol%. Momenteel is benzine E10 nog niet effectief beschikbaar op de markt: de introductie ervan is voorzien begin 2017 ter vervanging van Eurosuper 95, dat van Europa tegen 2020 uit omloop moet gehaald worden. Vanaf 2017 moet benzine op de Belgische markt trouwens minimaal 8,5 vol% biobrandstoffen bevatten.

Door het wegvallen van de accijnsvrijstelling zal het in de toekomst echter niet meer mogelijk zijn een onderscheid te maken tussen productie bestemd voor de eigen Belgische markt enerzijds en voor export anderzijds. 

De productie van PPO blijft beperkt in Vlaanderen. Zo bezaten begin 2010 nog altijd maar 10 landbouwers een vergunning om koolzaadolie te produceren en rechtstreeks te verkopen met accijnsvrijstelling. In de praktijk bleken heel wat praktische hinderpalen een doorbraak van PPO in de weg te staan: zware administratieve procedures, noodzaak om motoren om te bouwen, schommelende graanprijs (waartegen koolzaadteelt in de balans ligt), de afschaffing van diverse premies zoals de premie voor energiegewassen vanaf 2010, tegenvallende oogstopbrengsten etc.. De bijdrage van PPO in de totale hoeveelheid geproduceerde biobrandstof blijft ook in 2014 verwaarloosbaar voor Vlaanderen/België. Ook de productie van biogas voor transportdoeleinden was verwaarloosbaar tot onbestaande in 2014.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht