Deel deze pagina

Verzenden
NL EN

Productie van biobrandstoffen voor eindgebruikers

Onder ’biobrandstoffen’ verstaan we alle brandstoffen voor transport geproduceerd uit plantaardig of dierlijk materiaal. Biobrandstoffen kunnen helpen om de netto CO2-uitstoot van transport terug te dringen wanneer ze gebruikt worden ter vervanging van fossiele brandstoffen zoals diesel en benzine. Deze indicator beschrijft de productie van biobrandstoffen in Vlaanderen/België.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Geïnstalleerde productiecapaciteit en effectieve productie van biobrandstoffen (België, 2005-2011)

Bron: MIRA op basis van European Biodiesel Board, ePURE en EUROBSERV'ER
Cijfers in Excel.


Verloop

Doelstellingen

Er bestaan geen doelstellingen voor de productie van biobrandstoffen, enkel voor het gebruik ervan.

Van 1ste over 2de naar 3de generatie

Vloeibare biobrandstoffen van de 1ste generatie zijn pure plantaardige olie (PPO), biodiesel, bio-ethanol en bio-ETBE. Ze worden meestal geproduceerd uit voedselgewassen zoals koolzaad, maïs, graan en suikerbiet.

Biobrandstoffen zijn in principe CO2-neutraal: bij de verbranding van de biomassa komt immers evenveel CO2 vrij als door de plant is opgenomen. Substitutie van fossiele energie door bio-energie zou daarom een CO2-reductie van 100 % kunnen opleveren. In de praktijk wordt echter fossiele energie gebruikt bij de productie van biomassa (meststoffen, pesticiden, grondbewerking, oogst, …), en bij het transport en de conversie ervan. Daarom variëren cijfers over de werkelijke emissiereductie van CO2 afhankelijk van bron en berekeningsmethode tussen 30 en 50 %. Sommige studies geven zelfs nauwelijks CO2-reductie aan, vooral wanneer ook wijzigingen in het landgebruik worden verrekend. Door de inzet van bestaand akkerland voor de teelt van energiegewassen bestaat immers het gevaar dat elders bestaande bossen worden gerooid of natuurgebied ingenomen om in het nodige voedsel te voorzien.

Verhoging van de energie-efficiëntie en de CO2-reductie zijn de voornaamste leidmotieven in het onderzoek naar de productie van bio-energie. Dit is dan ook het voordeel van de zogenaamde 2de generatie biobrandstoffen (te winnen uit technologieën in ontwikkeling). Zij worden verwacht tegen 2015 hun intrede te doen op de commerciële markt en de zogenaamde 1ste generatie (de huidige) bio-brandstoffen op zijn minst gedeeltelijk te vervangen. Van 2de generatie biobrandstoffen wordt verwacht dat ze een CO2-reductie kunnen behalen tot 90 %. Men kan ze winnen uit afvaloliën en -vetten, oogstresten (bv. stro, tarwezemelen, lege maïskolven of -stengels) of hout(afval) i.p.v. uit speciaal daarvoor geteelde gewassen, wat meteen ook concurrentie met de voedselvoorziening tegengaat. Maar ook bij deze 2de generatie blijft aandacht nodig om ongewenste effecten tegen te gaan. Zo kan intensief gebruik van oogstresten leiden tot een verschraling van de bodem met een verminderde bodemvruchtbaarheid en een beperking van de sink-functie van de bodem tot gevolg. 

Er gebeurt ook al onderzoek naar biobrandstoffen van de 3de generatie. Deze worden gewonnen uit algenkweek. Maar productie op commerciële schaal wordt wellicht pas binnen een 20-tal jaren mogelijk. Eerst moeten de productiekosten nog met een factor 10 teruggedrongen kunnen worden.

Productie van biobrandstoffen liep vertraging op

Om de prijsconcurrentie met gewone diesel en benzine toe te laten, stelde de federale regering de productie van biobrandstoffen voor de inlandse markt vrij van accijnzen. Na een offertevraag voor kandidaat-producenten, heeft de federale regering accijnsvrije productiequota toegekend voor het gros van de hoeveelheden nodig om in 2010 de gebruiksdoelstelling van 5,75 % te halen. In totaal omvatten de quota een jaarlijkse productie van:
  • 380 000 m³ accijnsvrije biodiesel, waarvan 271 550 m³ aan 3 bedrijven in Vlaanderen (Bioro in Gent, Oleon in Ertvelde en Proviron in Oostende).
  • 250 000 m³ voor accijnsvrije bio-ethanol, waarvan 122 583 m³ toebedeeld aan 2 bedrijven in Vlaanderen (Alco Bio Fuel in Gent en Syral in Aalst).

Wanneer in een jaar de productiehoeveelheid beneden het quotum ligt, is overdracht van accijnsvrije hoeveelheden naar de daaropvolgende jaren toegelaten. Eind 2012 kregen voornoemde bedrijven een verlenging van hun accijnsvrije productiequota voor een tweede periode van 6 jaar tot september 2019. Ook is voorzien om de komende jaren de bijmengplicht (zie ook verder) voor bio-ethanol en biodiesel verder op te trekken.

Door de laattijdige – pas in het najaar van 2006 – toewijzing van de productiequota hadden de meeste potentiële producenten de bouw van hun installaties uitgesteld. Pas in 2007 kwam de productie van behoorlijke hoeveelheden biodiesel in België op gang (figuur). Bio-ethanol wordt pas sinds midden 2008 op industriële schaal geproduceerd in België.

Productiecapaciteit blijft onderbenut

Toen duidelijk was dat de quota-volumes niet door de markt werden opgenomen, heeft de federale overheid beslist om vanaf 1 juli 2009 een verplichting op te leggen aan distributeurs van fossiele motorbrandstoffen om 4 % biobrandstoffen (op volumebasis) te mengen in diesel en benzine. Ook al was deze bijmengplicht enkel op de tweede jaarhelft van 2009 van toepassing, toch was het effect ervan op de geproduceerde hoeveelheden biodiesel en bio-ethanol dadelijk merkbaar. Toch draaiden in 2009 nog niet alle productie-installaties in België en Vlaanderen op hun maximale capaciteit. In 2010 en 2011 werd de sector geconfronteerd met de ongunstige combinatie van onder meer stijgende grondstofprijzen, een aangescherpt debat rond duurzaamheidscriteria en de invoer van goedkope biobrandstof van buiten de EU, waardoor de productiecapaciteit onderbenut bleef.

Aangezien in Vlaanderen/België vooral diesel wordt ingezet voor wegtransport, liggen zowel de productiecapaceiten als de effectieve productiehoeveelheden van biodiesel jaar na jaar hoger dan deze voor bio-ethanol. Een deel van de productie wordt ook afgezet in de buurlanden. Hiervoor geldt geen accijnsvrijstelling. Voor bio-ethanol blijkt dat het gros van de productie zelfs voor de uitvoer bestemd is: tussen 2008 en 2011 is het aandeel bestemd voor export al opgelopen van 53 % tot 74% (zie figuur). Bij biodiesel kent de export-fractie een meer schommelend verloop, met in 2011 een aandeel van 31 % in de totaal geproduceerde hoeveelheid.

De productie van PPO blijft beperkt in Vlaanderen. Zo bezaten begin 2010 nog altijd maar 10 landbouwers een vergunning om koolzaadolie te produceren en rechtstreeks te verkopen met accijnsvrijstelling. In de praktijk bleken heel wat praktische hinderpalen een doorbraak van PPO in de weg te staan: zware administratieve procedures, noodzaak om motoren om te bouwen, schommelende graanprijs (waartegen koolzaadteelt in de balans ligt), de afschaffing van diverse premies zoals de premie voor energiegewassen vanaf 2010, tegenvallende oogstopbrengsten etc.. De bijdrage van PPO in de totale hoeveelheid geproduceerde biobrandstof blijft ook in 2011 verwaarloosbaar voor Vlaanderen/België. Ook de productie van biogas voor transportdoeleinden was verwaarloosbaar tot onbestaande in 2011.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht