Deel deze pagina

Verzenden

Energiestromen in Vlaanderen

Deze indicator brengt alle energiestromen in Vlaanderen in beeld en omvat volgende energievormen:

  • kolen (incl. koolteer en cokes),
  • olie (ruwe aardolie en petroleumproducten waaronder raffinaderijgas, LPG, benzine, kerosine, huisbrandolie en diesel, stookolie, nafta, petroleumcokes …),
  • gas (aardgas, hoogoven- en cokesovengas),
  • nucleaire warmte of splijtstoffen,
  • elektriciteit (zowel netto invoer als primair in Vlaanderen geproduceerde elektriciteit door middel van wind-, water- en zonne-energie),
  • warmte,
  • biomassa (incl. biogas),
  • en andere brandstoffen (voornamelijk restbrandstoffen van de chemische industrie en het niet-hernieuwbaar deel van restafval).
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Stroomschema energiegebruik en aandelen energiedragers in het primair energiegebruik (Vlaanderen, 2014)

Bron: MIRA (VMM) op basis van Energiebalans Vlaanderen (VITO)



Verloop

Binnenlandse primaire energieproductie stijgt maar blijft beperkt

Het primaire (of totale) energiegebruik is de som van de binnenlandse primaire energieproductie en de netto invoer van energie. Vlaanderen voert het gros van de benodigde energie in. De binnenlandse energieproductie omvat vooral de energetische valorisatie van restbrandstoffen uit de chemische sector, restafval en de hernieuwbare stroomproductie uit biomassa, zonne- en windenergie. Die binnenlandse energieproductie was in 2014 samen goed voor 8,8 % van het primair energiegebruik. Een bescheiden cijfer, maar wel het hoogste aandeel sinds de start van de inventarisatie in 1990.

Fossiele brandstoffen blijven energiemix domineren

Het aandeel van fossiele brandstoffen (kolen, gas en vooral olie samen met de bunkerbrandstoffen) in het primair energiegebruik schommelt al enkele jaren rond de 77 % (76,8 % in 2014). Daarmee blijven ze de energiemix in Vlaanderen domineren. Iets meer dan één vijfde van die fossiele energie is echter voorbehouden voor de internationale scheep- en luchtvaart. Het betreft bunkerbrandstoffen voor schepen (gas- en dieselolie, zware stookolie) en vliegtuigen (kerosine) die tanken in de Vlaamse zee- en luchthavens, maar die eigenlijk uitgevoerd worden.

Wat de andere fossiele brandstoffen betreft, loopt het gebruik van steenkool steeds verder terug. Maar dat wordt in het primaire energiegebruik vooral gecompenseerd door een toename van het aardgasgebruik.

Door het tijdelijk uitvallen van kernreactoren had kernenergie of de inzet van splijtstoffen nog maar een aandeel van 9,3 % in 2014. In 2012, voor de problemen met een aantal reactoren in Doel, bedroeg dit nog 12,8 %. Het verschil werd in 2014 gecompenseerd door een verhoogde netto stroominvoer. Die piekte in 2014 op 67 PJ (6 keer meer dan de inlandse primaire stroomproductie uit zon, water en wind), goed voor een aandeel van 3,9 % in het primair energiegebruik.

Energiesector gebruikt zelf een vijfde van de energie

Het bruto binnenlands energiegebruik (BBE) is op zijn beurt de som van het eigen energiegebruik en de verliezen van de energiesector enerzijds, en het eindgebruik door de overige sectoren anderzijds.

De energieverliezen bij transformatie, transport en distributie van energie en het eigen energiegebruik van de energiesector (elektriciteitscentrales, raffinaderijen en aardgasdistributie) lopen op tot 20 % van het bruto binnenlands energiegebruik (of 17 % van het primaire energiegebruik).

Transport enige sector met stijgend energiegebruik

Het netto binnenlands energiegebruik bestaat uit twee delen: het energetische eindgebruik (voor verwarming, verlichting, aandrijving …) en het niet-energetische eindgebruik (gebruik van energie-dragers als grondstof: bv. aardgas voor de productie van ammoniak of nafta voor kunststoffen).

Dit niet-energetisch eindgebruik van energiedragers voor de aanmaak van andere producten of voor niet-energetische doeleinden, kende vooral in de jaren 90 een sterke stijging. Na enkele stabiele jaren begin 2000 vertoont het niet-energetisch eindgebruik, waarvoor voornamelijk de chemische industrie verantwoordelijk is, een verloop dat schommelt tussen 250 PJ en 290 PJ. Zo zorgde bv. de economische crisis voor een opmerkelijke daling in 2009 (-15 % t.o.v. 2008), maar bereikte het niet-energetisch energiegebruik in 2011 al een nieuw recordniveau. Deze schommelingen liggen in het verlengde van het productieniveau van de chemische industrie.


Het energiegebruik per sector wordt besproken in een aparte indicatorfiche. Opmerkelijk hierbij is dat alle sectoren sinds 2010 een eerder dalend energiegebruik laten optekenen, met uitzondering van transport. In de transportsector klom het energiegebruik na de dieptepunt van de economische crisis in 2009 opnieuw naar het recordniveau van net daarvoor.

Meer info


Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht