Deel deze pagina

Verzenden

Emissie van verzurende stoffen (SO2, NOx, NH3) door de energiesector

Deze indicator brengt de emissie van verzurende stoffen (SO2, NOx en NH3) door de energiesector in beeld, en dit zowel per deelsector als per stof. Aan de hand van het zuurvormend vermogen van elk van die stoffen worden de emissies omgerekend naar zuurequivalenten (Zeq) en kunnen de emissies van de verschillende stoffen gesommeerd worden. De wegingsfactoren waarmee 1 ton van een verzurende stof wordt omgezet in 1 miljoen Zeq zijn 0,03125 voor SO2, 0,02174 voor NOx en 0,05882 voor NH3.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* voorlopige cijfers; ** steenkoolmijnen en cokesfabrieken

Bron: MIRA (VMM) op basis van EIL (VMM)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Doelstellingen

In het MINA-plan 4 (2011-2015) zijn voor de verzurende polluenten emissiedoelstellingen opgenomen tegen 2015. De doelstelling voor de totale Vlaamse NOx-emissie bedraagt 110,4 kton tegen het jaar 2015. Dit emissieplafond bestaat uit 52,3 kton voor transport en 58,1 kton voor alle stationaire bronnen (waar de energiesector deel van uitmaakt) samen. De doelstelling voor de totale Vlaamse SO2-emissie bedraagt 49,4 kton tegen het jaar 2015. Dit emissieplafond slaat vooral op de stationaire bronnen (waaronder de energiesector).

Een herziening van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL) (27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor de stationaire bronnen, voor de niet-stationaire bronnen dient deze verdeling nog te gebeuren. Voor Vlaanderen bedragen het NOx- en het SO2-plafond voor stationaire bronnen respectievelijk 56,9 kton en 44,5 kton tegen 2020. 

Fors gedaalde emissies door diverse reductiemaatregelen

De totale emissie van de verzurende stoffen door de energiesector is in de periode 1990-2014 fors gedaald en bedroeg in 2014 nog 499,9 miljoen Zeq, dit is 10,2 % van de emissie in 1990, en 19,4 % van de emissie in 2000. Het aandeel van de energiesector in de totale Vlaamse verzurende emissie is tevens fors gedaald: 26,7 % in 1990, 22,8 % in 2000 en nog slechts 8,3 % in 2014.

Deze forse emissievermindering komt vooral door emissiereductiemaatregelen onder invloed van normeringen en milieubeleidsovereenkomsten (MBO’s), door omschakeling naar laag zwavelhoudende brandstoffen en rendementsverhogende technieken. De productie van elektriciteit & warmte was tot midden jaren 2000 veruit de grootste bron van verzurende emissies binnen de energiesector. Maar doordat de emissies van deze deelsector lange tijd sneller daalden dan die van de andere deelsectoren, is het aandeel van de elektriciteit- & warmteproductie gaandeweg gedaald van 68 % begin jaren 90 naar 32,5 % in 2014. Tegelijkertijd nam het aandeel van de andere grote bron, de petroleumraffinaderijen, toe van 30 % naar 67,5 %.

Het aandeel van SO2 in de verzurende uitstoot schommelde lange tijd rond de 70 %, maar liep in 2014 terug tot 58 %. NOx staat in voor de overige 42 %. De NH3-emissies door de energiesector zijn verwaarloosbaar (< 0,01 %).

De petroleumraffinaderijen hebben inmiddels het grootste aandeel in de SO2-uitstoot (88 % in 2014), de meerderheid van de NOx-emissies is dan weer afkomstig van de elektriciteitsproductie (61 % in 2014).

Hieronder wordt meer specifiek ingegaan op de twee belangrijkste activiteiten binnen de energiesector, nl. de elektriciteitsproductie (inclusief de stroomproductie uit WKK’s en uit afvalverbranding) en de petroleumraffinage. 

Elektriciteitsproductie

De emissiereducties in de elektriciteitssector in de periode 1995-2000 zijn o.a. een gevolg van het in werking treden van een rookgasontzwavelings- en ontstikkingsinstallatie (DeSOx-DeNOx) in de kolencentrale van Langerlo. De sterke daling vanaf 2007 bij de elektriciteitscentrales is vooral het gevolg van de rookgasontzwaveling in de elektriciteitscentrale van Ruien.

De milieubeleidsovereenkomst (MBO) 2005-2009 met de elektriciteitssector voorzag vanaf 2008 in strengere emissieplafonds: voor SO2 verstrengden de plafonds van 781 miljoen Zeq (25 kton) naar 234 miljoen Zeq (7,5 kton), voor NOx van 543 miljoen Zeq (25 kton) naar 304 miljoen Zeq (14 kton). Vanaf 2008 werden beide plafonds inderdaad ruimschoots gerespecteerd door het geheel van de elektriciteitsproductie (inclusief de  stroomproductie uit WKK’s en uit afvalverbranding).

De blijvende daling van emissies bij elektriciteitsproductie is het gevolg van een combinatie aan maatregelen zoals de inzet van nieuwe centrales met hogere rendementen (hoofdzakelijk STEG en STEG-WKK's) en een rendementsverbetering bij bestaande eenheden. Ook de co-verbranding van biomassa (pellets, houtstof en -chips, olijfpitten, koffiegruis, ...) in klassiek thermische centrales of het ombouwen van dergelijke centrales tot zuiver biomassa centrales dragen bij tot een emissiedaling. Daarnaast is er ook de inzet van hernieuwbare energiebronnen en minder milieubelastende brandstoffen zoals kolen met een laag N-gehalte of aardgas dat bij verbranding geen SO2 en minder NOx en CO2 vormt. 

In 2010 ondertekenden de Vlaamse overheid en de elektriciteitsproducenten een nieuwe MBO, nu voor de periode 2010-2014. Omdat het moeilijk is om het investeringsklimaat en het aantal en type nieuwkomers voor de periode tot 2014 nauwkeurig in te schatten, werd overeengekomen om voor NOx een relatief plafond in te voeren waarbij de emissie wordt gerelateerd aan de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit. De afspraak is daarbij de NOx-uitstoot gaandeweg terug te dringen van maximaal 440 g/MWe in 2010 naar maximaal 325 g/MWe in 2014. Door alle maatregelen is de NOx-emissie in de elektriciteitsproductie verder gedaald en bedraagt in 2014 nog 126,1 miljoen Zeq (5,80 kton), zijnde 47,2 % van de emissie in 2008.

Voor SO2, waarvan de uitstoot vooral afhangt van de gebruikte brandstof, wordt wel nog gewerkt met een emissieplafond voor de reeds bestaande, veeleer grotere elektriciteitsproductie-installaties waarin fossiele brandstoffen en/of biomassastromen worden gestookt. Dit plafond bedroeg 188 miljoen Zeq (6 kton) per jaar voor de periode 2010-2012. Vanaf 2013 daalde dit plafond verder naar 88 miljoen Zeq (2,8 kton) per jaar. Vanaf 2010 emitteerde de deelsector elektriciteit & warmte al ruim minder dan dit plafond. In 2014 bedraagt de SO2-emissie nog 34,8 miljoen Zeq (1,11 kton). De sluiting van enkele oude klassieke centrales en de ombouw van een steenkoolcentrale in Rodenhuize naar een biomassa-centrale met een ontstikkingsinstallatie (in 2011) leverden een belangrijke bijdrage aan de SO2-emissiedaling. 

Petroleumraffinage

De emissiereducties in de petroleumraffinage in de periode 1995-2000 zijn een gevolg van de strengere norm op de som van de emissies afkomstig van de stookinstallaties en de procesinstallaties van petroleumraffinaderijen ('stolpnorm' van 1 300 mg SO2/Nm³ i.p.v. 2 000 mg SO2/Nm3).

Onder invloed van hogere energieprijzen hebben de petroleumraffinaderijen de voorbije jaren het rendement van hun verbrandingsinstallaties verhoogd. In 2004 verstrengden de VLAREM II-emissiegrenswaarden van de petroleumraffinaderijen voor SO2 en NOx. Die waarden waren gebaseerd op een mogelijke verdeling van de NEC-emissiejaarplafonds tegen 2010 voor alle stationaire bronnen samen. 

Vervolgens zijn vanaf 1 januari 2010 de emissiegrenswaarden voor raffinaderijen nog gevoelig aangescherpt in VLAREM II: voor SO2 van 800 naar 350 mg/Nm³, voor NOx van 300 naar 200 mg/Nm³. Om onder deze limieten te blijven hebben de petroleumraffinaderijen bijkomende zuiveringsapparatuur in dienst genomen (bv. natte gaswasser), schakelden ze over naar minder hoogzwavelige brandstof en worden bepaalde gebruikte brandstoffen (zeer zware stookolie en raffinaderijgas) vooraf ontzwaveld. Andere maatregelen zijn een verbeterde betrouwbaarheid en efficiëntie van de zwavelrecuperatie-eenheden en een betere monitoring van de affakkelinstallaties. 

De inspanningen van de raffinaderijen resulteerden in een drastische reductie van de SO2-uitstoot. In 2014 emitteren de raffinaderijen nog slechts 254,7 miljoen Zeq (8,15 kton) SO2, dit is een reductie met 69 % t.o.v. het jaar 2000 en met 63,5 % t.o.v. 2009. De NOx-uitstoot in 2014 bedraagt 82,7 miljoen Zeq (3,81 kton), zijnde een emissievermindering met respectievelijk 49,5 % en 16,3 % t.o.v. 2000 en 2009.

NO2-luchtkwaliteitsplan

In het voorjaar van 2012 keurde de Vlaamse Regering het 'Luchtbeleidsplan in het kader van de uitstelaanvraag voor de normen van NO2' goed. Met dit plan diende de Vlaamse overheid aan de Europese Commissie aan te tonen dat het passende maatregelen zal nemen om vóór 2015 alsnog de sinds 2010 geldende grenswaarden voor NO2 in omgevingslucht te respecteren. In dit plan neemt de Vlaamse overheid zich voor om een onderzoek te voeren naar verdergaande maatregelen bij belangrijke NOx-emittoren zoals de stroomproducenten en de petroleumraffinaderijen. 

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht