Deel deze pagina

Verzenden
NL EN

Eco-efficiëntie van de energiesector in Vlaanderen

Deze indicator vergelijkt de milieudruk van de energiesector (emissies en gebruik van water en energie) met een relevante activiteitsindicator (hoeveelheid geproduceerde energie bruikbaar voor eindgebruikers) van deze sector.

Ontkoppeling treedt op wanneer de groeisnelheid van een drukindicator lager is dan de groeisnelheid van de activiteitsindicator. De ontkoppeling is absoluut als de drukindicator stagneert of daalt bij een groei van het activiteitsniveau. De ontkoppeling is relatief als de groei van de drukindicator positief is maar minder groot dan die van de activiteitsindicator. Enkel absolute ontkoppeling leidt tot winst voor het milieu.
D P S I R

Figuren

Eco-efficiëntie van de energiesector (Vlaanderen, 2000-2011)
Eco-efficiëntie van de energiesector (Vlaanderen, 2000-2011)
Bron: MIRA, op basis van VITO en VMM
Cijfers en figuur in Excel.

Verloop

Transformatieverliezen stroom & warmte wegen op milieuprestaties energiesector

De energetische output van de energiesector – dit is de som van de energie-inhoud van zijn eindproducten zoals motorbrandstoffen of elektriciteit – vertoont na 2002 een daling. In 2009 is duidelijk het effect van de financieel-economische crisis te zien, waarbij de output van de energiesector de terugval in vraag naar energie van de andere sectoren weerspiegelt. Daar waar de output in 2010 een kleine stijging liet zien (+2 %), zette de daling zich nog verder door in 2011. Inmiddels ligt de output van de energiesector al 18 % beneden het peil van 2008, en ook 19 % lager dan in 2000.

Het eigen energiegebruik en de energieverliezen bij de transformatie, het transport en de distributie van energiebronnen vertoont daarentegen nog geen duidelijk dalend patroon.

Petroleumraffinaderijen hebben het belangrijkste aandeel in de energetische output (86 %), en het verloop van de output-curve is dan ook vooral bepaald door die raffinaderijen. De verhouding tussen de output van geraffineerde producten voor eindgebruikers en de input van primaire energiebronnen (aardolie) schommelt al jaren tussen 98,1 % en 99,8 %.

Het energiegebruik en de -verliezen in de energiesector zijn daarentegen voor circa 70 % toe te schrijven aan de transformatieverliezen bij de opwekking van elektriciteit & warmte. Bij deze laatste zijn belangrijke rendementswinsten mogelijk, onder andere door nuttig gebruik van restwarmte en de inzet van efficiëntere conversietechnieken en hernieuwbare energiebronnen als wind en zon. In de voorgaande jaren werd bij de productie en distributie van elektriciteit & warmte een lichte verbetering van het netto rendement (dus na aftrek van het eigen energiegebruik en de netverliezen) opgetekend: van 38,4 % in 2000 naar 40,6 % in 2010. Door een toename van de stroomproductie in WKK-installaties en door efficiëntiewinsten in andere installaties nam de productie aan elektriciteit en nuttige warmte toe van 196 PJ in 2000 naar 215 PJ in 2010, zonder toename van de transformatieverliezen. In 2011 werd echter beduidend minder stroom en nuttige warmte geproduceerd: 206 PJ. Deze terugval was deels een gevolg van de verminderde stroomvraag in 2011. Vooral conventionele thermische centrales (op aardgas en steenkool) en WKK's werden minder ingezet, terwijl de stroomproductie in kerncentrales steeg naar een recordniveau. Het totale netto rendement van de stroom- en warmteproductie door de energiesector nam daarbij iets af tot 40,2 %.

Uitstoot meeste luchtpolluenten meer dan gehalveerd

Ten opzichte van 2000 is er een duidelijke en aanhoudende absolute ontkoppeling voor de emissies van ozonprecursoren (-66 %), verzurende stoffen (-75 %), zware metalen (-76 %) en fijn stof (-89 %). Deze emissies zijn sterk afhankelijk van het steenkoolgebruik in elektriciteitscentrales. Voor de emissie van broeikasgassen is de daling pas in 2008 ingezet (-20 %).

Aangestuurd door het lagere activiteitsniveau van de energiesector, daalt de bijhorende milieudruk verder in 2011. Maar daar waar het activiteitsniveau in 2011 met 7,6 % terugviel, dalen op de eigen energieverbruiken & -verliezen na alle milieudrukfactoren nog sterker. Het bijkomend effect van milieugerelateerde maatregelen is het grootst bij de emissies van ozonprecursoren en fijn stof met een afname van respectievelijk 28 % en 21 % op één jaar tijd. Maar ook het stijgende aandeel van kernenergie in de stroomproductie gecombineerd met een dalende activiteit in centrales op fossiele energiebronnen speelt hier een belangrijke rol.

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht