8 % van het landbouwareaal onder agromilieumaatregelen
In 2011 waren er 11 groepen agromilieumaatregelen mogelijk. De oppervlakte landbouwgrond waarop een of meerdere agromilieumaatregelen van kracht zijn (uniek areaal) bedroeg 50 066 ha, of 8 % van het Vlaamse landbouwareaal (15 meitelling/enquête) in 2011. Dus 8 % van het landbouwareaal werd milieuvriendelijker bewerkt dan wettelijk verplicht.
Sinds 2006 neemt het uniek areaal af, door afbouw van enkele breed toegepaste maatregelen: geïntegreerd pitfruit in 2003, groenbedekking in 2009. Omdat deze maatregelen eigenlijk deel uitmaken van de normale landbouwbedrijfsvoering, is er geen extra subsidiëring meer voorzien. Van de in 2006 78 000 ha gesubsidieerde groenbedekking, blijft in 2010 nog 5 233 ha over. Maar daarnaast wordt groenbedekking ook toegepast zonder extra steun, als onderdeel van een goede landbouwpraktijk. Vanaf 2012 is de maatregel terug gesubsidieerd, als flankerend beleid bij de uitvoering van het verstrengde mestactieplan (MAP4). Alle maatregelen kenden in 2011 een krimpend of stagnerend areaal in vergelijking met 2010 behalve biolandbouw, verwarringstechniek en hoogstamboomgaarden. De maatregelen water, verwarringstechniek, vlinderbloemigen en mechanische onkruidbestrijding kennen het grootste succes met respectievelijk 46 %, 16 %, 10 % en 8 % van het unieke areaal agromilieumaatregelen in 2011.
De uitgaven in 2011 zijn de betalingen aan landbouwers voor maatregelen genomen in 2010. In 2011 besteedde de overheid 22,5 miljoen euro aan agromilieumaatregelen. 51 % van dit budget ging naar de beheerovereenkomst water met verlaagde bemesting, 8 % aan vlinderbloemigen, 8 % aan verwarringstechniek en 9 % aan perceelsrandenbeheer.
Wat motiveert een landbouwer voor agromilieumaatregelen?
Uit een studie naar de deelname van landbouwers blijkt dat, als een respondent steun ontvangen heeft voor een maatregel, in bijna de helft van de gevallen de maatregel ook zou uitgevoerd worden zonder steun. De meerderheid van de maatregelen zou identiek toegepast worden als de bestaande agromilieumaatregel. Maar de verschillen tussen de maatregelen zijn wel groot. Terwijl slechts een vijfde van de respondenten de maatregel groenbedekking niet meer zou uitvoeren zonder steun, zou bijna 90 % van de respondenten de natuurgerichte maatregelen botanisch beheer en akker- en weidevogelbeheer stoppen als de subsidies wegvallen.
“Geen interesse” is de vaakst voorkomende redenen waarom er geen steun aangevraagd wordt of waarom er een verbintenis verbroken wordt. Maar daarnaast geven ook veel landbouwers aan dat ze niet op de hoogte zijn of dat ze een tekort aan kennis hebben. Er moet dus nagedacht worden hoe de interesse van landbouwers voor agromilieumaatregelen kan aangewakkerd en hoe informatie over de bestaande mogelijkheden kan verbeterd worden. In iets mindere mate wordt ook het te veel aan papierwerk naar voor geschoven als belemmerende factor. Wat vooral opvalt, is dat de hoogte van de steunbedragen en de controles maar zelden als belangrijkste reden naar voor komen.