De benutte landbouwoppervlakte (BLO) is een indicator voor de activiteiten van de landbouw. Dit cijfer omvat alle grond waarop commerciële landbouwgewassen worden geteeld, inclusief tuinbouwgewassen en tijdelijke braak. Niet inbegrepen zijn landbouwwegen, bedrijfsgebouwen, beboste landbouwgronden en ongebruikte gronden. Elke teelt heeft zijn specifieke positieve en negatieve milieueffecten. Zo is het areaal blijvend grasland bepalend voor het voortbestaan van natuurwaarden in het landbouwgebied.
Totale BLO daalt sinds 2000
De totale BLO nam tussen 1990 en 2000 met 5 % toe tot 636 579 ha. Het is weinig waarschijnlijk dat de toename daadwerkelijk met een toenemend gebruik van open ruimte gepaard ging. Waarschijnlijk ging het eerder om een verschuiving tussen de particuliere niet-commerciële landbouw en de commerciële landbouw. Ook een verbeterde registratie speelde waarschijnlijk een rol. Sinds 2000 daalde de BLO opnieuw en wel met 3,1 %, tot 616 866 ha in 2010. Vooral de laatste jaren gaat de daling erg snel: tussen 2004 en 2007 is er jaarlijks zo’n 4 000 ha minder BLO. Vanaf 2008 is de methode voor de samenstelling van deze statistiek gewijzigd en zijn wijzigingen tussen 2007 en 2008 ook te wijten aan deze verandering. Tussen 2008 en 2010 verdwijnt er jaarlijks zo’n 3 500 ha.
Verschuivingen tussen teelten
Het teeltpatroon is onderhevig aan veranderingen/verschuivingen ingegeven door rentabiliteit, zoals kostenbesparing (door verhoogde efficiëntie in de voederteelt) en omschakeling naar meer winstgevende teelten (uitbreiding en/of omschakeling naar tuinbouw). Zo moet blijvend gras dikwijls plaats maken voor gewassen met een hogere rendabiliteit. Daarnaast hebben ook subsidies en wetgeving een invloed.
De meest in het oog springende evolutie bij de landbouwgewassen is de achteruitgang van het grasland (-15 %). Het totaal grasland maakte in 1990 nog 42 % van de BLO uit, in 2010 is dit nog slechts 35 %. Vooral het blijvend grasland gaat achteruit (-53 257 ha of -25 %), ten voordele van het tijdelijk grasland, maïs en nijverheidsgewassen. Opvallend is dat het areaal blijvend grasland ook tussen 2005 en 2010 blijft achteruitgaan: - 12 792 ha. En dit nadat het behoud van het blijvend grasland was ingevoerd als voorwaarde voor het bekomen van inkomenssteun, door de Mid Term Review van het Europese landbouwbeleid.
Akkerbouwteelten vervangen het grasland. Hun totale areaal is sinds 1990 met 41 237 ha gestegen (+13 %). Hun aandeel in de BLO steeg van 51 % in 1990 naar 57 % in 2010. De teelt van maïs kende een enorme opgang, vooral tussen 1990 en 2001. De laatste jaren blijft het maïsareaal vrij stabiel. In totaal steeg het areaal met 81 189 ha of 87 %. Het aandeel binnen de akkerbouw groeide van 31 % naar 50 %. Duidelijke verliezers sinds 1990 zijn de granen, tussen 1990 en 2003 daalde hun areaal met 35 190 ha (-30 %). De laatste jaren stabiliseert hun areaal zich op iets meer dan 90 000 ha. Het bietenareaal daalt nog steeds (-49 % sinds 1990). De voederbiet is aan het verdwijnen, maar ook de suikerbiet ziet zijn areaal verkleinen. Het areaal aardappelen en schommelt sterk van jaar tot jaar, onder invloed van de marktsituatie. De opkomst van koolzaad voor biodiesel de laatste jaren kan de sterke achteruitgang van de andere nijverheidsgewassen niet compenseren.
De tuinbouw kende een grote expansie in de jaren ‘90. Het areaal groeide met een kwart tussen 1990 en 1999, van 40 090 ha naar 50 300 ha. Sindsdien schommelt het steeds rond de 50 000 ha. De arealen in open lucht van groenten, fruit en sierplanten (incl. boomkwekerij) zijn ongeveer evenredig gegroeid. De serreteelten groeiden eveneens evenredig tot in 2001 waarna het areaal op een niveau van net geen 2 200 ha bleef. Na 2005 zet zich een lichte daling in.
Laatst bijgewerkt
Mei 2011