Naar 13 % hernieuwbare energie in 2020
De Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie van 2009 (2009/28/EG) verplicht België om het aandeel hernieuwbare energie in het bruto finaal energiegebruik op te trekken van 2,2 % in 2005 naar 13 % in 2020. Om deze doelstelling te toetsen wordt rekening gehouden met de inlandse productie van zowel groene stroom als groene warmte & koeling, en met het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor transportdoeleinden (zowel biobrandstoffen in verbrandingsmotoren als groene stroom in elektrische voertuigen). De onderhandeling over de verdeling van de Belgische doelstelling tussen de gewesten en een federale bijdrage (bv. via stroomproductie in offshore windparken) loopt nog. Naast de algemene doelstelling legt de Richtlijn Hernieuwbare Energie elke EU-lidstaat op tegen 2020 minstens 10 % hernieuwbare energie in te zetten in het weg- en spoorvervoer. Daaronder worden zowel biobrandstoffen als groene stroom en waterstof gewonnen uit hernieuwbare energiebronnen verstaan.
Hernieuwbare energie steunt vooral op biomassa
In Vlaanderen kennen de 3 hernieuwbare fracties een duidelijke groei sinds 2005. Voor groene stroom nam de geproduceerde hoeveelheid elk jaar verder toe. Groene warmte & koeling en groen transport laten in 2011 echter voor het eerst een daling optekenen. Voor groene warmte & koeling ligt die daling in het verlengde van de totale verwarmingsbehoefte die in 2011 lager lag door de erg zachte wintermaanden. Bij biobrandstoffen is de daling in 2011 een gevolg van een terugval in de bijgemengde volumes biodiesel (-7 %) en bio-ethanol (-3 %) maar ook van een daling in de verkoop van diesel - veruit de meest dominante brandstof voor wegtransport - in zijn geheel (-0,7 %).
Door de sterke, aanhoudende stijging van het geïnstalleerd vermogen aan PV-cellen en windturbines op land, is hun aandeel in de bruto groenestroomproductie opgelopen van 15 % in 2005 tot 35 % in 2011. Biomassa (incl. biogas) blijft echter instaan voor het gros van de groenestroomproductie (65 % in 2011). Bij groene warmte is de bijdrage van biomassa (93 % in 2010; met inbegrip van biogas en bio-olie) vergeleken met die van warmtepompen, zonneboilers en warmtepompboilers (7 %) nog nadrukkelijker. Niettemin ligt de warmteproductie in warmtepompen, zonneboilers en warmtepompboilers inmiddels al ruim driemaal hoger dan in 2005. Bij transport op hernieuwbare energiebronnen domineren de biobrandstoffen (98 %) op de inzet van groene stroom (2 %). Hier is ook duidelijk het effect merkbaar van de invoering van accijnsvrije productiequota (eind 2006) en van de verplichting om 4 volumeprocent* biobrandstoffen bij te mengen in benzine en diesel (sinds juli 2009).
Met aandelen van respectievelijk 7,5 % (groene stroom), 2,6 % (groene warmte & koeling) en 4,0 % (groen transport) blijkt Vlaanderen in 2011 een aandeel van 3,8 % hernieuwbare energie te halen in het totaal bruto finaal energiegebruik zoals gedefinieerd in de Richtlijn 2009/28/EG. In voorgaande jaren liep dit cijfer al stelselmatig op van 1,3 % in 2005 naar 3,4 % in 2010. Voornamelijk inzake groene warmte & koude zullen nog vorderingen moeten gemaakt worden om de eerste tussentijdse doelstelling voor 2011-2012 (nl. 4,4 %) te halen. Daartoe werkte de Vlaamse overheid in 2011 een Actieplan Groene Warmte uit, dat o.a. voorziet in een nieuw steunmechanisme (exploitatiesteun) voor de benutting van groene warmte & koude in (ver)nieuw(d)e installaties met een vermogen groter dan 1 MW. En voor kleinere installaties bij gezinnen en KMO's werden de premies voor zonneboilers en warmtepompen opgetrokken. Van de doelstelling voor hernieuwbare energie die België voor 2020 kreeg opgelegd (13 %), is Vlaanderen nog een eind verwijderd.
Volgens de eerste inschattingen voor 2011 doet Vlaanderen met een hernieuwbaar aandeel van 3,8 % in het bruto finaal energiegebruik het iets minder goed dan het geheel van België (5,6 % in 2011; hier wordt naast de andere gewesten ook de stroomproductie in offshore windparken verrekend) en de meeste buurlanden (Nederland: 4,4 %; Duitsland: 12,3 %; Frankrijk: 13,3 %). Het geheel van de EU27 zou voor 2011 uitkomen op een aandeel van 13,4 %.
* volumeprocenten verschillen van procenten uitgedrukt in energetische eenheden: dezelfde volumes diesel en biodiesel hebben een andere energetische inhoud. Hetzelfde geldt voor benzine en bio-ethanol.