Binnenlandse primaire energieproductie stijgt maar blijft beperkt
Het primaire (of totale) energiegebruik is de som van de binnenlandse primaire energieproductie en de netto invoer van energie. Vlaanderen
voert het gros van de benodigde energie in. De binnenlandse energieproductie omvat vooral de energetische valorisatie van restbrandstoffen uit de chemische sector, restafval en biomassa, samen goed voor 7,0 % van het primair energiegebruik. De elektriciteitsproductie uit wind- en waterkracht en PV-installaties leverden ook in 2010 nog een erg bescheiden bijdrage: 0,2 %.
Fossiele brandstoffen blijven energiemix domineren
Kernenergie had in 2010 een aandeel van 11,6 %. De invoer van elektriciteit vertegenwoordigde in 2010 1,2 % van het primair energiegebruik. Rekening houdende met de binnenlandse primaire energieproductie bleef Vlaanderen daardoor in 2010 nog voor 80,0 % van zijn energiegebruik rechtstreeks afhankelijk van fossiele brandstoffen.
Bijna een vijfde van de petroleumproducten (318 PJ) werd gebruik voor de internationale scheep- en luchtvaart. Deze zogenaamde
bunkerbrandstoffen of bunkers worden in feite uitgevoerd, en vertegenwoordigden in 2010 16 % van het primaire (of totale) energiegebruik in Vlaanderen.
Kolen worden steeds minder gebruikt, maar dat wordt in het primaire energiegebruik vooral gecompenseerd door een toename van het aardgasgebruik.
Energiesector gebruikt zelf ruim een vijfde van de energie
Het bruto binnenlands energiegebruik (BBE) is op zijn beurt de som van het eigen energiegebruik en de verliezen van de energiesector enerzijds, en het eindgebruik door de overige sectoren anderzijds.
De energieverliezen bij transformatie, transport en distributie van energie en het eigen energiegebruik van de energiesector (elektriciteitscentrales, raffinaderijen en aardgasdistributie) lopen op tot 22 % van het bruto binnenlands energiegebruik (of 19 % van het primaire energiegebruik).
Landbouw enige sector met duidelijk dalend energiegebruik
Het
netto binnenlands energiegebruik bestaat uit twee delen: het energetische eindgebruik (voor verwarming, verlichting, aandrijving …) en het niet-energetische eindgebruik (gebruik van energie-dragers als grondstof: bv. aardgas voor de productie van ammoniak of nafta voor kunsstoffen).
Dit
niet-energetisch eindgebruik van energiedragers voor de aanmaak van andere producten of voor niet-energetische doeleinden, kende vooral in de jaren 90 een sterke stijging. Na enkele stabiele jaren begin 2000 vertoonde het niet-energetisch eindgebruik, waarvoor voornamelijk de chemische industrie verantwoordelijk is, opnieuw een stijgende trend tot in 2008. De economische crisis zorgde echter voor opmerkelijke daling in 2009 (-14% t.o.v. 2008). Maar in 2010 sloot het niet-energetisch energiegebruik af op een recordniveau. De stijging met 22 % in het laatste jaar lag volledig in lijn met het verhoogde productieniveau van de chemische industrie (+21 % van 2009 naar 2010).
Over een langere periode bekeken, kenden de
meeste sectoren een stijgend energiegebruik. De erg koude wintermaanden en het hernemen van de economische activiteiten in 2010 waren de oorzaak voor het onderbreken van de daling die enkele sectoren de jaren voordien hadden ingezet. Enkel de landbouw slaagde erin zijn energiegebruik in 2010 beneden het peil van het basisjaar 1990 te houden.