Energiesector gebruikt een kwart van het bruto binnenlands energiegebruik
De energieverliezen bij transformatie, transport en distributie van energie en het eigen energiegebruik van de energiesector (elektriciteitscentrales, raffinaderijen en aardgasdistributie) stegen in 2009 met 1,3 % tot 380 PJ. Dit ligt bijna 11 % hoger dan in 1990 en 4 % hoger dan in 2000 maar nog altijd 9 % lager dan in 2007, het laatste jaar voor het uitbreken van de financieel-economische crisis. De energieverliezen en het energiegebruik van de energiesector lopen op tot 25 % van het bruto binnenlands energiegebruik in Vlaanderen (of 20 % van het primaire energiegebruik).
Productie, transport en distributie van elektriciteit en warmte
Het elektrisch rendement – de hoeveelheid energie vervat in de energiegrondstof uiteindelijk omgezet in elektrische energie – van een klassiek thermische elektriciteitscentrale (fossiele brandstoffen) of kerncentrale (splijtstoffen) bedraagt ongeveer 34 à 40 %. STEG-centrales hebben een elektrisch rendement van ± 50 à 57 %. Het eigengebruik van de klassiek thermische centrales en de kerncentrales in Vlaanderen bedroeg in 2009 8,3 PJ, terwijl de verliezen er opliepen tot 249,9 PJ. Daarmee staan de transformatieverliezen in klassiek thermische centrales en in kerncentrales in voor het gros van het energiegebruik in de energiesector, en dus zeker ook binnen de deelsector 'elektricieit & warmte' (bovenste deel figuur).
Bij WKK wordt de restwarmte benut voor industriële of andere toepassingen, waardoor het energetisch rendement 85 à 90 % bedraagt. WKK laat bovendien decentrale productie toe, wat de transportverliezen beperkt. Het eigen gebruik bedroeg bij WKK’s 0,4 PJ in 2009, terwijl de transformatieverliezen beperkt bleven tot 18,6 PJ.
Voorts treden er ook nog verliezen op bij het transport en de distributie: i.e. de energie die verloren gaat via kabeltransport en bij de omzetting van het spanningsniveau in de transformatoren. In 2009 bedroeg dit verlies in Vlaanderen ongeveer 8,7 PJ.
Over de jaren vertoont het algemeen rendement van de productie, het transport en de distributie van elektriciteit & warmte in Vlaanderen een licht stijgend verloop, zelfs in de jaren waarin de financieel-economische crisis zich manifesteert (’08-’09). Zo werd in 2009 in totaal 40,4 % van de primaire energie in de diverse types elektriciteitscentrales omgezet in nuttige energie (stroom & warmte) voor de eindgebruikers. In 2000 bedroeg het omzettingsrendement nog 38,4 %.
Petroleumraffinaderijen
De petroleumraffinaderijen gebruiken de door hen voortgebrachte petroleumproducten met de laagste economische waarde zoals raffinaderijgas en een deel van de residuele stookolie, zelf als brandstof in de fornuizen en ketels (ongeveer 58 PJ in 2009). Daarnaast gebruiken ze ook andere energiebronnen (vnl. aardgas). Er treden tijdens de raffinage ook verliezen op : ongeveer 10 PJ in 2009 (middenste deel figuur). Dit betreft vooral:
- lekverliezen bij flenzen, afsluiters, kleppen, veiligheidskleppen, pompen, compressoren, monsternamepunten, opslagtanks en overslaginstallaties (vooral daar waar vluchtige producten onder druk worden behandeld);
- ademverliezen: dampen die ontstaan bij het opwarmen van petroleumproducten en via luchtinlaten in de omgevingslucht terechtkomen;
- verplaatsingsverliezen: dampen die naar buiten worden weggedrukt bij het beladen van opslagtanks;
- verdampingsverliezen bij rioleringen, afvalwaterbehandeling en koeltorens.
De verliezen van de raffinaderijen zijn in 2006 en 2007 veel hoger dan normaal. Een verklaring hiervoor hebben we niet.
Concrete maatregelen die raffinaderijen kunnen treffen om het eigen brandstofgebruik te reduceren betreffen vooral de minimalisering van de reflux in de destillatietorens, van de luchtovermaat in de fornuizen en van de druk in bepaalde processen. Ook investeringen in een betere isolatie, warmterecuperatie en warmte-integratie werken energiebesparend.
Andere activiteiten
De gasbedrijven gebruiken zelf aardgas voor de herverdamping van vloeibaar aardgas (LNG). De productie van de nodige energie voor deze verdamping gebeurt in Zeebrugge door een WKK-eenheid, die 0,7 % van het verdampte gas gebruikt. De gasbedrijven gebruiken tevens aardgas voor de compressoren in de compressiestations. De energieverliezen van de gasbedrijven betreft bij het transport continue lekverliezen (verwaarloosbaar) en verliezen bij herstelling en onderhoud, en bij de distributie betreft het continue lekverliezen van aardgas door de leidingen. Voorts zijn er nog directe methaanverliezen bij het herverdampen van LNG (0,001 % van het verdampte gas in Zeebrugge), en geringe verliezen bij de opslag van aardgas. Het eigen gebruik en de verliezen bij de gasbedrijven bedroegen 2,1 PJ in 2009 (onderste deel figuur).
De gasbedrijven beperken de lekverliezen door gaandeweg alle oude (grauwe) gietijzeren leidingen – die nog dateren uit de periode van het ‘stadsgas’ en zich vooral in de steden bevinden – en de leidingen uit asbestcement (vezelcement) te vervangen door leidingen van polyetheen of staal. Onderzoek heeft immers uitgewezen dat de lekverliezen bijna een factor 100 kunnen verschillen tussen de meest en de minst doorlatende materialen gebruikt voor aardgasdistributieleidingen.
De sterke terugval tussen 1990 en 2000 in het onderste deel van de figuur is voor het grootste deel te verklaren door de stopzetting van de mijnactiviteiten in 1992 en van de laatste losstaande cokesfabriek in 1996.
Laatst bijgewerkt
Juni 2011