Transformatieverliezen stroom & warmte wegen op milieuprestaties energiesector
De energetische output van de energiesector – dit is de som van de energie-inhoud van zijn eindproducten zoals motorbrandstoffen of elektriciteit – vertoont na 2002 een daling. In 2009 is duidelijk het effect van de financieel-economische crisis te zien, waarbij de output van de energiesector de terugval in vraag naar energie van de andere sectoren weerspiegelt. Daar waar de output in 2010 een kleine stijging liet zien (+2 %), zette de daling zich nog verder door in 2011. Inmiddels ligt de output van de energiesector al 18 % beneden het peil van 2008, en ook 19 % lager dan in 2000.
Het eigen energiegebruik en de energieverliezen bij de transformatie, het transport en de distributie van energiebronnen vertoont daarentegen nog geen duidelijk dalend patroon.
Petroleumraffinaderijen hebben het belangrijkste aandeel in de energetische output (86 %), en het verloop van de output-curve is dan ook vooral bepaald door die raffinaderijen. De verhouding tussen de output van geraffineerde producten voor eindgebruikers en de input van primaire energiebronnen (aardolie) schommelt al jaren tussen 98,1 % en 99,8 %.
Het energiegebruik en de -verliezen in de energiesector zijn daarentegen voor circa 70 % toe te schrijven aan de transformatieverliezen bij de opwekking van elektriciteit & warmte. Bij deze laatste zijn belangrijke rendementswinsten mogelijk, onder andere door nuttig gebruik van restwarmte en de inzet van efficiëntere conversietechnieken en hernieuwbare energiebronnen als wind en zon. In de voorgaande jaren werd bij de productie en distributie van elektriciteit & warmte een lichte verbetering van het netto rendement (dus na aftrek van het eigen energiegebruik en de netverliezen) opgetekend: van 38,4 % in 2000 naar 40,6 % in 2010. Door een toename van de stroomproductie in WKK-installaties en door efficiëntiewinsten in andere installaties nam de productie aan elektriciteit en nuttige warmte toe van 196 PJ in 2000 naar 215 PJ in 2010, zonder toename van de transformatieverliezen. In 2011 werd echter beduidend minder stroom en nuttige warmte geproduceerd: 206 PJ. Deze terugval was deels een gevolg van de verminderde stroomvraag in 2011. Vooral conventionele thermische centrales (op aardgas en steenkool) en WKK's werden minder ingezet, terwijl de stroomproductie in kerncentrales steeg naar een recordniveau. Het totale netto rendement van de stroom- en warmteproductie door de energiesector nam daarbij iets af tot 40,2 %.
Uitstoot meeste luchtpolluenten meer dan gehalveerd
Ten opzichte van 2000 is er een duidelijke en aanhoudende absolute ontkoppeling voor de emissies van ozonprecursoren (-66 %), verzurende stoffen (-75 %), zware metalen (-76 %) en fijn stof (-89 %). Deze emissies zijn sterk afhankelijk van het steenkoolgebruik in elektriciteitscentrales. Voor de emissie van broeikasgassen is de daling pas in 2008 ingezet (-20 %).
Aangestuurd door het lagere activiteitsniveau van de energiesector, daalt de bijhorende milieudruk verder in 2011. Maar daar waar het activiteitsniveau in 2011 met 7,6 % terugviel, dalen op de eigen energieverbruiken & -verliezen na alle milieudrukfactoren nog sterker. Het bijkomend effect van milieugerelateerde maatregelen is het grootst bij de emissies van ozonprecursoren en fijn stof met een afname van respectievelijk 28 % en 21 % op één jaar tijd. Maar ook het stijgende aandeel van kernenergie in de stroomproductie gecombineerd met een dalende activiteit in centrales op fossiele energiebronnen speelt hier een belangrijke rol.