Het is om twee redenen belangrijk de evolutie van de grondwaterstanden op te volgen. Omwille van de hoge en stabiele kwaliteit pompen heel wat bedrijven en drinkwatermaatschappijen grondwater op om het te gebruiken als proceswater. Als de grondwaterstanden dalen, moet er dieper gepompt worden of moet er overgeschakeld worden op andere bronnen. Een daling van de grondwaterstanden kan ook een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater. Daarnaast beïnvloedt de stand van het ondiepe grondwater in grote mate de vegetatie. Een daling van het ondiepe grondwater kan negatieve gevolgen hebben voor de natuur en de landbouw.
De VMM beschikt over een uitgebreid net van meetputten waar de grondwaterstand regelmatig opgevolgd wordt, zowel in freatische als niet-freatische watervoerende lagen. De meetresultaten van 553 meetputfilters werden individueel statistisch geanalyseerd voor de periode 2001-2010. Eerst werd nagegaan of een meetreeks een statistisch significante trend vertoont, met name of er sprake is van een monotone trend in een bepaalde richting. Als dat het geval was, werd de grootte van de trend berekend (in meter per jaar) en in klassen ingedeeld:
0-0,05 m/j = kleine daling/stijging
0,05-0,1 m/j = matige daling/stijging
0,1-0,5 m/j = grote daling/stijging
> 0,5 m/j = zeer grote daling/stijging
42 % van de geanalyseerde meetreeksen vertoont geen statistisch significante trend, 39 % vertoont een daling en 19 % is gestegen. Er zijn enkele opmerkelijke verschillen tussen de resultaten van de freatische en de niet-freatische meetputten. Zo vertonen de freatische meetputten relatief vaker geen statistisch significante trend, omdat ze in direct contact staan met de atmosfeer en met andere woorden snel reageren op wisselende weersomstandigheden. Verder valt het op dat bijna alle meetreeksen met een zeer grote stijging of daling niet-freatisch zijn. Dit is inherent aan het hydrodynamische evenwicht in gespannen watervoerende lagen waaruit grondwater onttrokken wordt.
Van de freatische meetputten vertoont slechts 5 % een significante stijging (tegenover 30 % van de niet-freatische waterlagen) en bijna 36 % van de freatische meetputten daalde significant. Freatische waterlagen staan veel meer onder de directe invloed van weersfactoren. De aanvulling van de grondwatertafels gebeurt vooral in de winter en is verder ook afhankelijk van de hoeveelheid water die verdampt gedurende het hele jaar. Daarom zijn de hoeveelheden neerslag in de wintermaanden en de jaargemiddelde temperatuur belangrijke verklarende factoren. In de periode 2000-2010 vertoonde de hoeveelheid winterneerslag een daling, terwijl de jaargemiddelde temperatuur min of meer constant bleef tot en met 2009 en in 2010 weliswaar duidelijk lager lag.
Voor de niet-freatische waterlagen is het veel moeilijker om in algemene termen de directe link met wisselende weersomstandigheden te leggen. Enerzijds omdat het tijdsverloop tussen het moment van neerslag en de effectieve aanvulling van de diepe grondwaterlaag sterk kan oplopen en sterk kan verschillen van laag tot laag. Anderzijds blijkt dat gedurende de voorbije eeuw de hoeveelheid winterneerslag toegenomen is, net zoals de jaargemiddelde temperatuur en dus de verdamping. Beide factoren werken elkaar dus tegen. Bovendien zou op langere termijn een wijzigend bodemgebruik ook een effect kunnen hebben.
Het grote percentage dalende meetreeksen bij de niet-freatische grondwaterlagen illustreert dat op vele plaatsen nog te veel grondwater opgepompt wordt. De stijgende trends zijn waarschijnlijk het gevolg van lokale maatregelen.
Omdat de trends vaak sterk verschillen naargelang de laag en het gebied, is een aanpak op maat nodig. Zo zal het grondwaterheffingenbeleid verder gedifferentieerd worden via de laag- en gebiedsfactoren en wordt het vergunningenbeleid aangepast aan de lokale toestand.
Laatst bijgewerkt
Juli 2011