Stijgende hoogwaterstanden, dalende laagwaterstanden
Tot ongeveer 1955 is er een quasi lineaire stijging van de hoogwaterstanden, nadien versterkt die stijging om de laatste twee decennia weer af te vlakken. Ook voor de evolutie van de laagwaterstanden is 1955 een kanteljaar. Voordien is er sprake van een gestage daling van de laagwaterstanden, vanaf 1955 versnelt de daling om nadien weer af te vlakken. Deze trendbreuk kan vooral gerelateerd worden aan de ontwikkeling van het Gat van Ossenisse en van de Overloop van Hansweert in de jaren 50 en 60 van vorige eeuw waardoor twee hoofdgeulen ontstonden in de plaats van een enkele hoofdgeul, en aan een vermindering van de globale beddingweerstand. Die zorgden voor een extra toename van de tij-kracht, in eerste instantie resulterend in een verhoging van de hoogwaterstanden opwaarts, en in tweede instantie in een verlaging van laagwaterstanden opwaarts. Daardoor is er een flinke toename van de getijslag of tij-amplitude.
Ook de kans op het voorkomen van hoogwaterstanden boven een bepaalde waarde (overschrijdingsfrequentie) evolueert in de tijd. De kans op hoge hoogwaterstanden stijgt in de loop der jaren.
Laatst bijgewerkt
December 2011