Doelstellingen
Er bestaan geen wettelijke normen voor de depositie van dioxines en PCB’s. Op basis van door de Wereld Gezondheidsorganisatie (WGO) gehanteerde maximale innamedosissen van 1 à 4 pg TEQ/kg lichaamsgewicht per dag en een modelstudie van VITO, hanteert VMM drempelwaarden voor de beoordeling van de gemeten deposities. Maandgemiddelde waarden die de drempel van 6 en 26 pg TEQ/m².dag overschrijden, worden door VMM omschreven als respectievelijk matig verhoogd of verhoogd. Ook de depositie van PCB 126 wordt getoetst aan deze criteria.
Metingen dioxinedepositie vooral als lokale controle
De dioxinedepositie vertoont een dalende trend. In 2009 zijn amper 4,4 % van de metingen verhoogd terwijl dit in 1993 nog 70 % was (beoordelingsnormen dioxinedepositie volgens voorstel van VMM). In de helft van de stalen van 2009 is de dioxinedepositie lager dan 6 pg TEQ/m2.dag. Deze daling is een vertaling van de verminderde dioxine-emissie, vooral door de drastische sanering en het gebruik van schone technologie bij de afvalverbranding en in sinterinstallaties, eind van de jaren negentig. De huidige dioxine-emissie is voor 74 % afkomstig van de huishoudens met als voornaamste bronnen de gebouwenverwarming op vaste brandstoffen en het verbranden van afval in tonnetjes en open vuren.
Het meetprogramma staat de laatste jaren in functie van het opsporen van nieuwe, lokale dioxinebronnen. Het meetprogramma wijzigt dan ook jaarlijks op basis van de resultaten uit het verleden en de inzichten en vragen van overheidsinstanties. De resultaten zijn dan ook niet representatief voor de gemiddelde depositie over Vlaanderen en vergelijking van de meetgegevens over de jaren is niet vanzelfsprekend.
Verhoogde PCB-depositie in buurt van schrootverwerkende bedrijven
Sedert 2002 meet VMM ook de depositie van PCB126 (de meest toxische PCB-congeneer). De resultaten worden getoetst aan dezelfde beoordelingsnormen als voor dioxinedepositie. Verhoogde deposities van PCB126 worden enkel gemeten in de onmiddellijke buurt van schrootverwerkende bedrijven en zijn beperkt tot een zone van enkele honderden meters rond het bedrijf. Met dit beeld van de dioxine- en PCB-depositiepieken kan men vervolgens nagaan of de ingevoerde saneringen en stofbeheersingsmaatregelen (opgelegd door de Milieu-inspectie) op korte termijn een meetbaar effect hebben op de luchtkwaliteit. In vergelijking met voorgaande jaren blijven de waarden hoog. Specifieke maatregelen, meestal gericht op stofbeheersing, zijn dus zeker noodzakelijk maar blijken onvoldoende. Schrootverwerkende bedrijven worden bijgevolg best niet opgericht dichtbij woonzones of agrarische gebieden om de impact van verhoogde depositie op de volksgezondheid te voorkomen.
Resultaten vanaf 2010
In 2010 heeft de VMM 33 meetposten voor de opvolging van de depositie van dioxines en PCB’s. De resultaten van 21 meetposten worden getoetst aan de drempelwaarde die de VMM gebruikt voor de beoordeling van de meet¬waarden. Hieruit volgt dat in één zesde van de stalen de maandgemiddelde depositie te hoog is. Het gaat om stalen van 6 meetposten. De jaargemiddelde depositie is te hoog op 10 meetposten.
In een aantal regio’s met een gekend dioxineprobleem verloopt de trend gunstig.Dit is het geval in Beerse, Olen en Zelzate.Ook in de regio Oostrozebeke-Wielsbeke-Desselgem zijn de dioxineniveaus afgenomen.Toch komen er occasioneel nog hogere waarden voor die wijzen op het bestaan van verschillende bronnen.
Nabij schrootverwerkende bedrijven is er geen sprake van een algemene dalende of stijgende trend.De PCB-waarden zijn hoger dan de dioxinewaarden.In een aantal gevallen is de depositie te hoog in woonzones of agrarische gebieden die grenzen aan de schrootverwerkende bedrijven.