Vetoplosbare polluenten, waaronder een aantal bestrijdingsmiddelen, hebben de neiging zich op te stapelen in de voedselketen. Hun aanwezigheid in het spierweefsel van paling wordt al geruime tijd opgevolgd. Paling is een goede bio-indicator omwille van zijn hoog vetgehalte, zijn plaats bovenaan de aquatische voedselpiramide, zijn lange plaatsgebonden levenswijze op de rivierbodem en zijn ruime verspreiding. Om inzicht te krijgen in de verspreiding van bestrijdingsmiddelen worden de meetplaatsen ingedeeld in kwaliteitsklassen op basis van de afwijking ten opzichte van referentiewaarden. De meetresultaten worden ook getoetst aan de nieuwe milieukwaliteitsnormen voor biota in oppervlaktewater (enkel hexachloorbenzeen, HCB).
Per meetplaats werd telkens de meest recente meting uit de periode 1994-2008 geselecteerd. Na 2008 gebeurden geen analyses meer.
Lang verboden middelen nog steeds aangetroffen
Hoewel al verboden in de jaren 70, worden de bestrijdingsmiddelen dieldrin (insecticide), HCB (fungicide) en DDT (insecticide) nog steeds in afwijkende en sterk afwijkende concentraties teruggevonden. Deze resultaten illustreren hoe moeilijk afbreekbaar deze middelen zijn. Ook lindaan (insecticide), sinds 2002 verboden, wordt nog vaak in (sterk) afwijkende concentraties aangetroffen. De nieuwe milieukwaliteitsnorm voor HCB in biota werd op 12 % van de meetplaatsen overschreden. Voor de meeste bestrijdingsmiddelen kon een significante daling aangetoond worden. Het gebruiksverbod werpt dus zijn vruchten af.
Laatst bijgewerkt
November 2010