Heel wat positieve evoluties, maar nieuwe probleemstoffen duiken op
De situatie is merkelijk verbeterd voor heel wat stoffen die in de periode 2002-2004 nog voor een groot aantal normoverschrijdingen zorgden. Het gaat dan bijvoorbeeld over diuron (herbicide), dichloorvos (insecticide), endosulfan (insecticide), hexachloorcyclohexaan (insecticide) en atrazine (herbicide). Niet toevallig zijn dit stoffen waarvoor gebruiksbeperkingen en/of verbodsbepalingen werden ingevoerd.
Niet voor alle bestrijdingsmiddelen bestaat een officiƫle norm. Hun concentraties kunnen wel getoetst worden aan ecologische referentiewaarden die volgens gelijkaardige methodes opgemaakt zijn als de officiƫle normen. Enkele van die middelen zorgen voor heel wat overschrijdingen van die referentiewaarden. In 2010 zijn de maximale concentraties voor het diflufenican (herbicide) in de helft van de bemonsterde meetplaatsen te hoog; voor flufenacet (herbicide) en oxadiazon (herbicide) en dimethoaat (insecticide ) zijn de maximale concentraties in meer dan 15 % van de meetplaatsen te hoog. Acute effecten zijn er dus mogelijk. Voor oxadiazon is de gemiddelde concentratie in 2010 in bijna driekwart van de meetplaatsen te hoog en voor het diflufenican is dit in ongeveer 92 % van de bemonsterde meetplaatsen te hoog. Chronische effecten kunnen er dus optreden.
De situatie voor niet-genormeerde bestrijdingsmiddelen is ongunstiger dan voor bestrijdingsmiddelen waarvoor wel milieunormen bestaan. Deze vaststelling wijst enerzijds op het succes van het Europese en Vlaamse (normerings)beleid, maar anderzijds ook op de noodzaak van een dynamische regelgeving die de markt blijvend van nabij volgt.
Laatst bijgewerkt
November 2011