Meerderheid meetlocaties overschrijdt norm
In meer dan de helft (56 %) van de onderzochte locaties van het freatisch meetnet is in 2010 een overschrijding van de kwaliteitsnorm vastgesteld voor één of meer (afbraakproducten van) bestrijdingsmiddelen. Dit wil zeggen dat de concentratie voor één stof groter is dan 0,1 µg per liter of dat de totale concentratie van alle gemeten stoffen samen meer dan 0,5 µg per liter bedraagt. Daarenboven zijn op één derde van de bemeten filters bestrijdingsmiddelen of afbraakproducten van bestrijdingsmiddelen teruggevonden in een concentratie lager dan de wettelijke norm. Dit impliceert dat slechts in iets meer dan 10% van de gevallen geen bestrijdingsmiddelen of afbraakproducten voorkomen.
Het aandeel meetlocaties met een concentratie boven de detectielimiet of boven de norm is toegenomen ten opzichte van eerdere meetcampagnes. Dit is deels te wijten aan het feit dat er meer stoffen geanalyseerd zijn.
De normoverschrijdingen doen zich zowat overal in Vlaanderen voor. Dit wil niet zeggen dat de bestrijdingsmiddelenproblematiek overal van dezelfde aard is. Welke stoffen aangetroffen worden, verschilt van plaats tot plaats, afhankelijk van het landgebruik. Dat landgebruik bepaalt immers welke bestrijdingsmiddelen in gebruik kunnen zijn in een bepaald gebied. De mate waarin die stoffen en hun afbraakproducten in het grondwater terechtkomen en zich daar verder gaan verspreiden, hangt dan weer samen met de kenmerken van de ondergrond zoals de doorlatendheid, de aanwezigheid van organisch materiaal of klei waaraan bestrijdingsmiddelen en hun afbraakproducten zich gaan hechten, de diepte van de watertafel …
De frequentie van voorkomen en normoverschrijding verschilt van stof tot stof. Deze verschillen zijn tot op zekere hoogte te verklaren via de fysico-chemische karakteristieken van deze stoffen. Zo is het veelvuldig voorkomen van VIS-01 (afbraakproduct van het fungicide chloorthalonil) en BAM (afbraakproduct van het herbicide dichlobenil) te begrijpen in het licht van de grote mobiliteit van deze stoffen. In veel gevallen is de frequentie van voorkomen echter niet in overeenstemming met de fysico-chemie van een stof zolang abstractie gemaakt wordt van de mate waarin de stof wordt toegepast. Zo behoort atrazine (herbicide), hoewel erg mobiel, niet tot de meest aangetroffen pesticiden. Deze stof mag immers niet meer gebruikt worden sinds 2004. De lange halfwaardetijd van atrazine verklaart waarom het jaren na het verbod toch nog altijd terug te vinden is in het grondwater.
Sinds het verbod op het gebruik van atrazine, valt het aantal normoverschrijdingen snel terug en dit in nagenoeg alle landbouwstreken, met uitzondering van de Leemstreek. Dat laatste heeft te maken met de diepte van de meetfilters en dus de leeftijd van het waterstaal. In de Leemstreek zijn de meetfilters relatief diep in vergelijking met de andere landbouwstreken. Voor de meeste stoffen leidt dit tot lagere concentraties, er is immers meer tijd voor afbraak. Nu heeft atrazine een lange halfwaardetijd, waardoor het ook op de diepere filters gedetecteerd kan worden. Dat er in 2010 meer overschrijdingen aangetroffen worden op diepe dan op ondiepe filters, kan een gevolg zijn van het dalend atrazinegebruik. Het dalende gebruik vertaalt zich uiteraard in lagere atrazineconcentraties in het grondwater, maar er verloopt steeds wat tijd tussen het gebruik van atrazine op het veld (of het stopzetten van het gebruik), en de waarneming (of het uitblijven van de waarneming) van atrazine in het grondwater. Bij ondiepe filters is dit tijdsverloop veel korter dan bij diepe filters. Vermindert het gebruik, dan zal het effect op de atrazineconcentratie in het grondwater sneller te merken zijn op ondiepe locaties. Vandaar de snellere terugval van de atrazineconcentratie in bv. de Kempen, in vergelijking met de Leemstreek.
Laatst bijgewerkt
November 2011