De vermestende emissie omvat de emissie naar lucht, water en bodem van vermestende stikstof en fosfor. Deze indicator omvat de vermestende emissie uitgestoten door activiteiten op Vlaams grondgebied. Hiermee wordt een totaalbeeld gegeven van de inspanningen van diverse sectoren.
Vermestende emissies als som van N en P
De vermestende emissie van N en P tezamen wordt berekend als de som van N en P met 1 Meq = 10 000 ton N en 1 000 ton P. Daardoor weegt de P-emissie zwaarder door in de totale vermestende emissie. P is immers het belangrijkste element voor eutrofiëring van zoet oppervlaktewater.
De vermestende emissie daalde tussen 1990 en 2009 met 80 %. De grootste vervuiler, de landbouw, slaagde erin om de sterkste daling te realiseren met 46,1 Meq. Dit komt door de daling van de veestapel, door toenemende mestverwerking en de daling van het kunstmestgebruik. De daling werd verder vooral veroorzaakt door de dalende emissie van huishoudens (3,5 Meq) en industrie (2,5 Meq) door de toegenomen afvalwaterzuivering. De energie- en de transportsector reduceerden vooral de NOx-emissie; met respectievelijk 1,3 en 1,9 Meq.
Sinds 2004 is de jaarlijkse daling afgezwakt. De verterkte afname in 2007 is veroorzaakt door een aanpassing in de berekeningswijze van de emissie van de landbouw (zie indicator overschot bodembalans).
Landbouw heeft grootste aandeelLandbouw heeft het grootste aandeel in de vermestende emissie. Daarna volgen huishoudens en transport die gezamenlijk een 34 % van de nutriëntenbelasting voor zich nemen in 2007. Het aandeel van deze twee sectoren is sinds 1990 gegroeid. De landbouw verlaagde zijn aandeel van 77 % naar 50 %. Omdat de grootste vervuiler (de landbouw) de grootste emissiereductie realiseerde, steeg het aandeel van alle andere doelgroepen, zelfs als deze een absolute reductie realiseerden. Na de landbouw, saneerden de industrie, de energiesector en de huishoudens het sterkst. Handel & diensten verhoogde zowel in absolute cijfers als in relatief aandeel de emissies.
Laatst bijgewerkt
Maart 2012