Download Pdf Print
negatieve evolutie, legende opent in pop-up 

Seizoenen en temperatuursextremen

State (milieukwaliteit), legende opent in pop-up
De kwetsbaarheid van mens en natuur voor klimaatverandering wordt niet alleen bepaald door wijzigende jaargemiddelden, maar ook en zelfs nog meer door wijzigende extremen. Bovendien vergroten extreme temperaturen ook de blootstelling aan diverse schadelijke stoffen, zoals troposferisch ozon en fijn stof.

Deze indicator geeft een eerste invulling aan de opvolging van temperatuursextremen, met name door zowel de temperatuur per seizoen in beeld te brengen als te kijken naar het voorkomen van erg warme en koude dagen in een jaar:
  • vriesdagen: dagen waarop de minimumtemperatuur onder 0°C ligt;
  • winterse dagen: dagen waarop de maximumtemperatuur onder de 0°C ligt;
  • zomerse dagen: dagen waarop de maximumtemperatuur 25°C of meer bedraagt;
  • tropische dagen: dagen waarop de maximumtemperatuur 30°C of meer bedraagt.

Figuren

Gemiddelde temperatuur per seizoen (Ukkel, 1833-2010)
Bron: MIRA/VMM op basis van KMI

Cijfers en figuur in Excel.
Aantal zomerse en winterse dagen in een jaar (Ukkel, 1968-2010)
Bron: MIRA/VMM op basis van KMI

Cijfers en figuur in Excel.

Verloop

De schadelijkste effecten in Europa worden verwacht van de toegenomen frequentie en intensiteit van extreme evenementen zoals hittegolven. Vooral de laatste 2 decennia blijkt de zomertemperatuur op land binnen Europa sterk toegenomen, evenals het aantal hittedagen, tropische nachten en hittegolven. Zo is de gemiddelde lengte van zomerse hittegolven in West-Europa verdubbeld in de periode 1850-2010, en de frequentie van hittedagen zelfs verdrievoudigd. Dagen en langere periodes van erg lage temperaturen zijn dan weer minder frequent geworden. Gemiddeld gezien blijkt in Europa – net als op mondiaal vlak – de opwarming tijdens de winter iets groter te zijn dan in de zomer.

De eerste figuur zet voor België de temperatuursevolutie per seizoen uit. In alle 4 de seizoenen blijkt een significante stijging aan de gang. Toch zijn er ook hier verschillen:

  • in de zomermaanden stijgt de temperatuur pas vanaf 2de helft van de 20ste eeuw (inmiddels aan + 0,4°C per decennium);
  • de herfsttemperatuur stijgt al sinds begin 20ste eeuw (inmiddels aan + 0,2°C per decennium);
  • de wintertemperatuur vertoont een kleinere maar lineair aanhoudende stijging sinds het begin van de metingen in 1833 (+ 0,1°C per decennium);
  • de lentetemperatuur is gestegen in het begin van de 20ste eeuw en opnieuw sterk gestegen sinds de jaren 70 (inmiddels aan +0,5°C per decennium).

En ook wanneer we kijken naar het voorkomen van zomerse dagen, dan blijkt een duidelijke lineair stijgende trend over de jaren (tweede figuur). Het aantal winterse dagen in ons land vertoont geen significante trend.

Uit een analyse van het KMI blijkt dat het aantal hittegolven (periode met minstens 5 opeenvolgende dagen met een maximumtemperatuur van tenminste 25°C, waarvan op minstens 3 dagen 30°C of meer wordt gehaald) significant is toegenomen sinds het midden van de jaren 90. Nu worden we bijna jaarlijks met minstens 1 hittegolf geconfronteerd. Het aantal dagen met sneeuwval in Ukkel neemt daarentegen af.

Meer info

Klimaatscenario's voor Vlaanderen tot 2100 (MIRA, Milieuverkenning 2030).

Laatst bijgewerkt

November 2011

Contactpersoon bij MIRA

Johan  Brouwers

Woordenboek

Significant
term uit de statistiek, die aangeeft of aangenomen kan worden dat een verschil wel of niet door toeval is ontstaan. Men spreekt van een significant verschil wanneer dit verschil in sterke mate de veronderstelling ondersteunt dat het verschil niet door toeval is ontstaan, maar door iets anders.