De schadelijkste effecten in Europa worden verwacht van de toegenomen frequentie en intensiteit van extreme evenementen zoals hittegolven. Vooral de laatste 2 decennia blijkt de zomertemperatuur op land binnen Europa sterk toegenomen, evenals het aantal hittedagen, tropische nachten en hittegolven. Zo is de gemiddelde lengte van zomerse hittegolven in West-Europa verdubbeld in de periode 1850-2010, en de frequentie van hittedagen zelfs verdrievoudigd. Dagen en langere periodes van erg lage temperaturen zijn dan weer minder frequent geworden. Gemiddeld gezien blijkt in Europa – net als op mondiaal vlak – de opwarming tijdens de winter iets groter te zijn dan in de zomer.
De eerste figuur zet voor België de temperatuursevolutie per seizoen uit. In alle 4 de seizoenen blijkt een significante stijging aan de gang. Toch zijn er ook hier verschillen:
- in de zomermaanden stijgt de temperatuur pas vanaf 2de helft van de 20ste eeuw (inmiddels aan + 0,4°C per decennium);
- de herfsttemperatuur stijgt al sinds begin 20ste eeuw (inmiddels aan + 0,2°C per decennium);
- de wintertemperatuur vertoont een kleinere maar lineair aanhoudende stijging sinds het begin van de metingen in 1833 (+ 0,1°C per decennium);
- de lentetemperatuur is gestegen in het begin van de 20ste eeuw en opnieuw sterk gestegen sinds de jaren 70 (inmiddels aan +0,5°C per decennium).
En ook wanneer we kijken naar het voorkomen van zomerse dagen, dan blijkt een duidelijke lineair stijgende trend over de jaren (tweede figuur). Het aantal winterse dagen in ons land vertoont geen significante trend.
Uit een analyse van het KMI blijkt dat het aantal hittegolven (periode met minstens 5 opeenvolgende dagen met een maximumtemperatuur van tenminste 25°C, waarvan op minstens 3 dagen 30°C of meer wordt gehaald) significant is toegenomen sinds het midden van de jaren 90. Nu worden we bijna jaarlijks met minstens 1 hittegolf geconfronteerd. Het aantal dagen met sneeuwval in Ukkel neemt daarentegen af.
Laatst bijgewerkt
November 2011